Koopman in de West

De indianen en de Nieuw Nederlanders in het journaal

van David Pietersz. De Vries

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Joris van der Meer

9727086

15-06-01

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

 

Binnen de historiografie over Nieuw-Nederland neemt de interactie tussen de oorspronkelijke bewoners van Amerika en de kolonisten een veel besproken positie in. Over de veelal conflictueuze omgang van de twee groepen is in extenso gepubliceerd door een keur van onderzoekers uit allerlei disciplines. Het is uiteraard een zinnenprikkelende periode in de geschiedenis. De confrontatie van twee werelden die zo verschillend waren in aard en ontwikkeling.

 

Een veel genoteerde opmerking is dat de Nederlanders een groot gebrek aan nieuwsgierigheid en interesse voor de indianen aan de dag legden. In haar overzicht van de historiografie over Nieuw-Nederland zegt Joyce Goodfriend over de Nederlanders:

 

‘Though they condescended to familiarize themselves with native customs in order to conduct exchanges of goods in a manner acceptable to the indians, they never expressed any desire to understand the values of their trading partners’[1]

 

De eerste vraag die bij het lezen van deze passage naar boven komt is hoe dit mogelijk is. Men zou verwachten dat de ontdekking van de cultuur van de indianen zou hebben geleid tot het verdiepen in hun afkomst en hun gebruiken. Zou men dan helemaal niet geïnteresseerd zijn geweest in de volkeren die zolang hun bestaan verborgen hadden gehouden in een voor de Europeaan onbekende wereld? Of is deze theorie onjuist?

 

Ik zal pogen de theorie van Goodfriend te nuanceren aan de hand van het journaal van David Pietersz. de Vries. De Vries’ journaal is een rijke bron als het gaat om de vroege geschiedenis van Nieuw-Nederland. Hij doet in zijn werk uitgebreid verslag van zijn waarnemingen in de Nieuwe Wereld betreffende een groot aantal onderwerpen, waaronder indianen. Het doel van dit essay is om aan de hand van het Journaal van De Vries te bewijzen dat De Vries buiten de door Goodfriend geformuleerde traditie valt.

 

Hiervoor krijgen de passages over de indianen in het werk van De Vries een centrale plaats. Er zal uiteraard eveneens gekeken moeten worden naar de motivatie van de Vries om de gegevens zo weer te geven. Hiervoor is het belangrijk te kijken naar de beweegredenen van De Vries om naar Nieuw-Nederland te trekken. Bovendien moeten zijn ervaringen aldaar in een brede context gezien worden. De relatie met het Nieuw-Nederlandse bestuur speelt daarbij, zo zal blijken, een cruciale rol.

 

 

 

De relatie tussen de indianen en de kolonisten volgens de geschiedschrijving

 

 

Over het algemeen zijn onderzoekers het erover eens dat er een grote sociale scheiding bestond tussen de inheemse bevolking van Amerika en de “Hollandse” kolonisten. In het artikel ‘De sociale afstand tussen Nederlandse kolonisten en inheemse Amerikanen’ stelt de antropoloog Rothschild dat die afstand significant was in drie sectoren.[2] Allereerst wijst Rothschild op de matige missiedrang van de kolonisten. De religieuze overtuiging van zowel de Compagnie als de predikanten in Nieuw-Nederland uitte zich niet in massale calvinistische omscholing van de indianen. Frijhoff wijst hier ook op in zijn boek over Evert Willemsz.[3] Ten tweede manifesteerde de sociale afstand zich, volgens Rothschild, in het vestigingspatroon van de Nederlandse gemeenschap, op enige afstand van de Indiaanse nederzettingen. Een derde symptoom vormt de afwezigheid van seksueel contact op grote schaal tussen de twee groepen. Dit terwijl er zeker in de beginperiode van de kolonie een grote discrepantie was tussen het aantal mannen en vrouwen onder de kolonisten.

 

De reeds genoemde historicus Frijhoff noemt de relatie tussen de inheemse Amerikanen en de Nederlandse immigranten geblokkeerd door onbegrip en een superioriteitsgevoel bij de Europeanen.[4] Hij denkt echter niet dat dit te wijten was aan een gebrek aan sociaal contact. De twee groepen hadden juist veel contact, ook seksueel. De verhouding was wel scheef in maatschappelijk opzicht. Dit hing volgens Frijhoff vooral samen met de gereformeerde beeldvorming over de inheemsen die uiteraard niet leefden naar de gereformeerde leefregels. De blanken gingen niet zelf naar de indianen toe, maar wachtten immer tot zij zelf kwamen. De verhoudingen werden daarmee getekend.

 

Een veel ouder artikel analyseert het probleem op een gelijkluidende wijze. In zijn fameuze artikel over de oorlog van Kieft tegen de indianen concludeert Schulte Nordholt dat er in het algemeen bij de Nederlanders weinig kennis bestond omtrent de gewoontes van de oorspronkelijke bewoners van het gebied.[5] Hij legt de nadruk op het gebrek aan kennis betreffende indiaanse handels-, poiltieke- en religieuze gebruiken. Hij concludeert: ‘Zo heerst er op elk terrein, uit vrees, uit voorzichtigheid, uit onzekerheid, meer misverstand dan begrip’.[6]

 

In zijn handboek over de geschiedenis van Nieuw-Nederland benadrukt Jaap Jacobs vooral dat de perceptie van de indiaan bij de meeste contemporaine schrijvers zeer neerbuigend was.[7] Zich baserend op onder meer de beschrijvingen van de indianen door Van der Donck en Johannes de Laet zegt hij dat de Nederlanders de indianen vooral een utilitaire rol toebedachten. Mits men voorzichtigheid in acht nam was het mogelijk met de indianen om te gaan, maar het waren ‘seer snoode dieven’ en ‘quaet volck’, zo citeert Jacobs De Laet.[8]

 

Ondanks het feit dat de onderzoekers verschillen in opvatting over de aard van de (wan)verhoudingen komen sommige elementen wel overeen. Nagenoeg allemaal leggen ze wel op enigerlei wijze de nadruk op het onbegrip en de onwetendheid van de van de westerlingen in Nieuw-Nederland. Een eenduidige verklaring voor dit fenomeen is er allerminst. De in de inleiding geciteerde Goodfriend wijst een gebrek aan nieuwsgierigheid aan als de motor van het onbegrip. Schulte Nordholt denkt meer aan een diepgewortelde angst en onzekerheid. Frijhoff betrekt de religieuze verschillen bij zijn analyse van de verhoudingen tussen de oorspronkelijke inwoners en de immigranten.

 

Een ander verschil is de opvatting van de mate van contact tussen de twee groepen. In het algemeen bestaat het vermoeden dat de contacten zich beperkten tot het handelsverkeer in de beginfase van de kolonie. De onderzoekster Lois M. Feister beweert dat het primaat van de handel in Nieuw-Nederland de omgang eenzijdig maakte en een linguïstieke kennismaking belemmerde. Pas naarmate de economische activiteiten zich differentieerden breidden de contacten zich uit.[9] In zijn artikel over de veranderende relaties tussen de indianen en de Nederlanders op deze site sluit Tim Kuipers zich hierbij aan.[10]

 

Op welke manier De Vries de indianen beschrijft in zijn journaal zal nu voorop komen te staan. Vervolgens is het de bedoeling met die gegevens een verklaring te geven voor zijn wijze van analyseren. Vinden we bij hem hetzelfde onbegrip en dezelfde onwetendheid die volgens verschillende onderzoekers de Nieuw-Nederlander zo typeerde? Bevestigt of ontkracht hij de regel? Om te beginnen is een historische context noodzakelijk om De Vries te introduceren

 

 

David Pieterszoon de Vries leefde, zo word algemeen aangenomen, van ongeveer 1593 tot waarschijnlijk 1662. Hij was afkomstig uit een Hoorns koopmansgeslacht, maar werd geboren in de Franse havenstad La Rochelle alwaar zijn vader handel dreef. De Vries trad in de voetsporen van zijn vader en dreef aanvankelijk voornamelijk handel in het Middelandse Zee gebied en Newfoundland. In 1624 poogde hij een reis te ondernemen naar de kust van Canada om daar de handel in vis en beverhuiden te beproeven. Zijn plannen werden echter geblokkeerd door de West-Indische compagnie, aangezien zij een aantasting van haar monopoliepositie op de pelterij vreesde. Zijn schip werd in beslag genomen en hij probeerde al zijn connecties aan te wenden om deze terug te krijgen, echter tevergeefs[11]. Het zou niet zijn laatste conflict met de compagnie zijn.

 

Met wisselend succes ging hij, in de loop van de twintiger jaren van de zeventiende eeuw, zich ook bezighouden met de koopvaart op Oost-Indië. Hij kwam tijdelijk in dienst van de VOC die hem met enkele opdrachten belastte. Dit was echter van vrij korte duur en voor ons hier niet belangrijk. Voor ons zijn de reizen naar het westen van meer belang.

 

David Pietersz. de Vries ondernam drie reizen naar het gebied dat bekend stond als Nieuw-Nederland. Zijn eerste reis vond plaats in de jaren 1632-1633, toen hij onder meer naar de Zuid-rivier (Delaware) afreisde. Een tweede reis in de jaren 1634-1636 bracht hem onder andere op Staten-Eiland, alwaar hij zich een patroonschap liet aantekenen. De derde en laatste reis deed hem langer in West-Indië vertoeven. Van 1638-1643 verbleef hij in Nieuw-Nederland met als doel opnieuw een landbouwkolonie op te zetten. Hierna vertrok hij voorgoed naar de Republiek om in Hoorn zijn dagen te slijten en zijn relaas van zijn ervaringen als schipper en kolonist op schrift te zetten. In 1655 werden zijn reisverslagen uiteindelijk in Alkmaar gedrukt.

 

Het primaire doel van De Vries’ reizen was kapitaal vergaren. Het matige succes van zijn voorgaande reizen moeten De Vries hebben bewogen een andere richting op te gaan. Zeker na het vrijgeven van de ‘Vrijheden en Exemptiën’ in 1629 werden kooplieden door de lucratieve perspectieven van de huidenhandel in Nieuw-Nederland aangetrokken. Door zijn contact met Samuel Godijn, een bewindhebber van de WIC in de jaren dertig van de zeventiende eeuw, raakte De Vries betrokken bij de oprichting van een patroonschap aan de Zuid-rivier, Swanendael genaamd. Godijn wist De Vries warm te maken voor deze investering. Het doel van de kolonie was niet enkel en alleen gericht op de beverhandel met de indianen. De investeerders, waaronder Godijn zelf, zagen velerlei mogelijkheden voor exploitatie van het gebied. De walvisvangst zou een aanvullende economische activiteit moeten worden en men zag eveneens perspectieven voor landbouw.[12]

 

In december 1630 vertrokken er twee schepen naar het westen. Hoewel Godijn De Vries had voorgedragen als leider van de expeditie, bleef De Vries voorlopig in de Republiek. Er ontstonden echter problemen. De berichten van overzee stemden de investeerders niet tevreden. De beoogde walvisvaart bleek niet te zijn uitgevoerd door de gezaghebbers en er kwamen zodoende geen inkomsten binnen. Pieter Heyes, die de expeditie had geleid, werd aan de kant geschoven en vervangen door De Vries. Nog voor zijn vertrek naar de kolonie kwam er nog een rampspoedig bericht binnen. De gehele kolonie en haar inwoners bleek te zijn verwoest door plaatselijke indianen. De Vries vertrok hierop vrijwel onmiddellijk en kwam uiteindelijk begin december 1632 in de kolonie aan. Hij trof een compleet verwoeste kolonie aan.[13]

 

Al vrij snel na hun aankomst kwam De Vries in contact met de indianen die de vestiging hadden overvallen. De contacten liepen zeer voorzichtig, vooral van de kant van de Nederlanders die zich gewaarschuwd wisten. Na een periode van aftasten begon de wederopbouw van de kolonie door de meegereisde passagiers. De Vries zelf ondernam een verkenningstocht over de Delaware, waar hij enkele ontmoetingen had met verschillende indianenstammen. Na bijna een maand keerde hij terug naar Swanendael en moest daar tot zijn teleurstelling constateren dat de walvisvangst, ondanks de experts die de investeerders hadden aangesteld, nog steeds niet rendeerde. De Vries besloot naar fort Amsterdam te trekken waar hij in april 1633 aankwam.

 

In de periode dat De Vries in het fort Amsterdam verbleef had hij regelmatig contact met de directeur ter plaatse, Wouter van Twiller, die hij zeer incompetent achtte. De beide heren hadden regelmatig aanvaringen over zaken van bestuurlijke aard en hun relatie was bijzonder slecht. De Vries vulde zijn tijd met het verkennen van het gebied en het leggen van contacten met welvarende kolonisten als Michiel Pauw. Met enige koopwaar vertrok De Vries in juni 1633 terug naar Holland, waar hij eind juli arriveerde.

 

Zijn tweede overzeese onderneming was evenmin een succes. In Nederland had hij zich aangesloten bij een groep investeerders die een plantagekolonie wilden opzetten aan de zogenaamde ‘Wilde Kust’, min of meer ter hoogte van het huidige Suriname. Het Caribische avontuur strandde door sabotage van de werknemers en slaven in die kolonie. In de jaren 1634-36 praktiseerde De Vries wat koopvaart in het Caribische gebied en deed ook de engelse kolonie Virginia aan. Na wat kleinschalige handel zeilde hij opnieuw naar fort Amsterdam. De relatie met Van Twiller lijkt wat beter te zijn en De Vries nam zich voor om naar Nieuw-Amsterdam terug te keren. Hij verzocht Van Twiller om hem het patroonschap over het veilige en vruchtbare Staten-eiland te verlenen. Van Twiller stemde in en nam een gedeelte van de wrok die De Vries tegen hem koesterde weg.

 

In 1638 kwam hij met een compagnieschip in Nieuw-Amsterdam aan en ontmoette daar de nieuwe Directeur Willem Kieft. De Vries ving aan met het opbouwen van zijn patroonschap dat hij ondertussen deelde met zijn neef, Frederick de Vries. Het opzetten van het patroonschap verliep allerminst vlot. De Vries maakte weinig aantekeningen, maar verzucht enkele malen dat de beloftes die zijn neef hem gedaan had, zoals onder meer het sturen van kolonisten, niet nagekomen worden. Hij voerde enkele taken uit voor Directeur Kieft en verkende Nieuw-Nederland. Uiteindelijk blijkt zijn nieuwe patroonschap evenmin een gelukkig lot beschoren. In de oorlog die tussen de kolonisten en de indianen ontstond werd de boerderij van De Vries vernietigd. ‘Sedert blijft het zoo onrustig’, merkt de historicus Colenbrander op in zijn inleiding op het dagboek, ‘dat de Vries de lust vergaat zijne bouwerij uit de asch weer op te trekken’.[14] In oktober 1643 verliet De Vries Nieuw-Nederland en arriveerde gedesillusioneerd in 1644 in de Republiek.

 

 

Contact tussen de Vries en inheems Amerika

 

‘Hoewel de Vries zelf een uitstekende naam bij de indianen had, werden zijn ondernemingen de ene na de andere in as gelegd’, merkt Frijhoff ergens in zijn boek over Evert Willemsz. op.[15] Dit zijn de harde feiten waar De Vries mee te maken had. Het is daarom temeer interessant om zijn houding tegenover de ‘wilden’, zoals ze steevast genoemd werden door de Nederlanders, nader te bekijken.

 

De indianen waren de reden van De Vries’ eerste komst naar de kolonie Swanendael. Het journaal geeft een aardige impressie van zijn bezoek. Na een paar dagen de situatie vanaf de boot te hebben afgewacht, meldt De Vries dat de eerste indianen van de stam die de kolonie verwoest had uit de bossen tevoorschijn kwamen. De Vries probeerde toenadering te zoeken en uiteindelijk slaagde hij erin met enkele natives te spreken. Via zijn tolk vroeg hij naar de toedracht van de slachting. Een indiaan legde hen uit dat één van hen van een bord dat opgehangen was door de kolonisten een pijp had gemaakt. De kolonisten waren uit hun slof geschoten en daarop hadden de indianen zich gekwetst gevoeld en represailles ondernomen. Het verhaal heeft De Vries sober in zijn journaal aangetekend. Hoewel de slachting voor hem een gigantisch financieel debacle was, spreekt hij in genuanbceerde bewoordingen over de indianen. Relativerend meldt hij dat de indianen op Italianen lijken en van nature ‘wraeckgierig’ zijn.[16] Hij voegt er nog wel aan toe dat hij geen wraak kon nemen, aangezien de indianen geen vaste woonplaats hadden.[17]

Op zijn hierop volgende verkenningstocht over de Delaware zijn er meerdere ontmoetingen met inheemsen. Bij alle uitwisselingen met de indianen noteert De Vries dat ze voorzichtig waren geweest in de omgang met de inheemsen. Ze waren zo nu en dan zeer bevreesd voor een op hun gemunte aanval. Blijkbaar dacht hij dat de indianen onberekenbaar waren. Als dingen goed waren verlopen, noteerde hij steevast dat de ontmoeting in ‘Pays’ was. Zo nu en dan merkt De Vries iets op over bepaalde zaken die hem opvallen aan de ‘wilden’. Hij beschrijft de manier waarop de kano geconstrueerd werd. De kleding van de indianen beschrijft hij eveneens. Hij dreef wat bescheiden handel en kwam uiteindelijk weer heelhuids in de kolonie aan. Daar horen we weinig tot niets meer over de nabij levende wilden.

 

In zijn tweede reisverslag dat voornamelijk handelt over de Cariben, treffen wij een lange passage aan over de Caribische indianen. Het verhaalt echter niet De Vries’ eigen ervaringen, maar is bijna geheel gebaseerd op het werk van de Laet.[18] Overigens zonder dit te melden.

 

Ongeveer hetzelfde gebeurt in zijn derde boek over Nieuw-Nederland. Al in het begin van het verslag begint hij over het land en zijn bewoners te vertellen, maar opnieuw niet in zijn eigen woorden. Een zeer groot gedeelte is afkomstig uit het ‘Kort ontwerp van de Mahakvase indianen’ van de predikant Megapolensis.[19] Dit werk gaat voornamelijk over de omgeving van Rensselaerswijk waar Megapolensis ook predikte. Over deze omgeving had De Vries moeilijk uit eigen ervaring kunnen vertellen, aangezien hij er niet zo lang verbleef. Hij vond het blijkbaar de moeite waard om deze passage toch toe te voegen. Misschien getuigt dit van een interesse voor de indiaanse cultuur, misschien getuigt het van het besef van de interesses van zijn lezers die wellicht in dit soort curiosa geïnteresseerd waren. De opgenomen passages over de indianen zijn redelijk neutraal en proberen werkelijk de cultuur van de inheemsen weer te geven.

 

Op 16 juli 1640 noteerde De Vries in zijn journaal de bekend geworden gebeurtenissen rond de strafexpeditie van Van Thienhoven. De lokale indianen hadden van zowel De Vries als van de compagnie varkens gedood. Bovendien hadden ze ook nog eens geplunderd. Het doden van vee vond wel vaker plaats aangezien de westerlingen ze vrij lieten rondlopen en de dieren de gewassen van de indianen vertrapten. Van overheidswege had men echter besloten om deze indianen om genoegdoening te vragen. De Vries zegt geen onvertogen woord over het doden van zijn varkens. Hij bespreekt wel het onheil dat geschiedde tijdens de strafexpeditie. De ‘Troup’, zoals De Vries de soldaten noemt, wilde doden en nadat Van Thienhoven de situatie niet meer meester was voegden ze de daad bij het woord en martelden hun voorman aan de geselpaal. Zo omgaan met de indianen maakte het, zo verzucht De Vries, ‘dat verde is van vriendschap met de Inwoners te maken’.[20]

 

Veruit de meest verhaalde passage uit de geschiedenis van de omgang tussen de inheemse bevolking en de kolonisten in Nieuw-Nederland is die over de oorlog tussen Directeur Kieft de bevolking van Nieuw-Amsterdam en de indianen.[21] Voor deze affaire is de Vries één van de hoofdbronnen. Zodoende is de geschiedenis ervan behoorlijk bepaald door de waarnemingen van De Vries. Deze waarnemingen komen erop neer dat de aanpak van zowel Kieft als de WIC totaal verkeerd was.

 

Wat betreft de rol van de indianen hierin is De Vries uiterst mild. Over de moord op zijn personeel op Staten-Eiland kent De Vries alleen rancune voor de Nederlandse bewindhebbers. Zij waren het zich niet goed van hun taken kwijtten ‘[...]ende men leyde de schuld al op de onnoosele Wilden, en alhoewel sy slim genoeg zijn, maer doet haer geen quaed sy sullen u oock geen quaed doen, ende soo raeckte ick het begin van mijn colonie quyt op het Staten-Eyland, door beleyt vande Commandeur Kieft[...]’.[22] Zo foetert hij door op de beleidsmakers en legt de schuld niet bij de indianen.

 

In 1642 nam De Vries als een van de aanzienlijke figuren in Nieuw-Nederland plaats in een adviserend college van twaalf man. Kieft riep hen op om te adviseren hoe de situatie met de indianen af te handelen. In zijn journaal zegt De Vries dat hij de Directeur afraadde ten oorlog te trekken tegen de ‘wilden’. Hij wijst hier ook op het feit dat de compagnie de vrede wilde bewaren met de indianen. Volgens De Vries wilde Kieft hier niet naar luisteren en de situatie escaleerde uiteindelijk volledig.[23] De slachting onder de Wechquaesgeck Indianen in 1643 wordt door De Vries bloedig neergezet en opnieuw valt hij zijn bestuurder af.

 

Het hele slot van het boek is, zoals Frijhoff het noemt, een black legend van de Directeur Kieft.[24] Volgens De Vries doet Kieft alles verkeerd, terwijl hijzelf de juiste adviezen gegeven heeft. Het verhaal van De Vries is echter niet zomaar betrouwbaar. Het lijkt sterk op dat de persoonlijke vete tussen de twee heren hiermee uitgevochten wordt. Al moet gezegd worden dat Kieft bij verschijning van het journaal al overleden was. Wellicht was De Vries ontevreden over het gebrek aan inspraak in het bestuur van de kolonie, zoals wel wordt aangenomen. Misschien stond het algemene besturen van Kieft De Vries niet aan, zoals sommige klachten in het journaal doen vermoeden. Er is geen uitsluitsel over te geven, maar het geeft aan dat men voorzichtig moet zijn in het interpreteren van De Vries’ relaas.

 

In zijn algemeenheid kan men uit het verslag van De Vries concluderen dat hij redelijk veel ruimte inrichtte voor het bespreken van de cultuur van de verscheidene indianenstammen. De meeste passages zijn gebaseerd op geschriften van derden. De opname hiervan getuigt waarschijnlijk wel van enige interesse. In het gehele journaal zijn er nauwelijks opmerkingen over de inheemsen te vinden die negatief of denigrerend geladen zijn. Ondanks de handelingen van de indianen die hem evident dupeerden, laat De Vries er zich op voorstaan dat hij door een indiaan geaaid werd en aangesproken werd als een ‘goede Overste’.[25]

 

Getuige zijn aanvankelijke angst voor de indianen rond de Delaware was De Vries op zijn hoede voor de impulsiviteit van de indianen. Dit kan onder meer geweten worden aan een gebrek aan kennis van de inheemse cultuur. Uit de opname van de cultuuranalyse van Megapolensis blijkt ook dat de kennis van die cultuur nog bijzonder klein was. Deze onwetendheid kan De Vries moeilijk verweten worden. Het acculturatieproces moest nog in gang gezet worden in de tijd dat De Vries in Nieuw-Nederland vertoefde.

 

Het onbegrip en superioriteitsgevoel dat volgens Frijhoff bij de westerlingen aanwezig was komt niet naar voren in het verslag van De Vries. Van een gereformeerde starheid is bij De Vries evenmin iets te merken. De stelling van Schulte Nordholt dat er meer misverstand dan begrip heerste is niet te stoelen op De Vries. Ook Jacobs stelling dat de houding van de Nederlanders neerbuigend was tegenover de indianen is niet terug te lezen in het journaal. De stelling van Goodfriend is wat moeilijker te ijken. Mijn vermoeden is dat De Vries geen gebrek aan nieuwsgierigheid verweten kan worden, aangezien hij veel over de indianen heeft opgeschreven. Een gebrek aan nieuwsgierigheid is echter een heel moeilijk te meten begrip. Deze onvatbaarheid maakt de theorie van Goodfriend incapabel.

 

De stelling van Schulte Nordholt dat angst en onzekerheid regeerden in de relatie met de inheemsen lijkt ook op de Vries van toepassing. Zijn voorzichtigheid is evident en niet onder stoelen of banken geschoven. Ook Feister heeft naar mijn smaak gedeeltelijk gelijk. De taalbarrière zal zeker een drempel hebben gevormd voor een nadere kennismaking met elkaar. Of dit aan de aanvankelijke nadruk op de handel te wijten is, is niet te toetsen aan De Vries.

 

De Vries is zo bezien een uitzondering op de regel van de Europeaan die enkel en alleen de Nieuw-Nederlandse dollartekens zag lonken en zich niets aantrok van de omgeving waar hij in beland was. Misschien moet er een heroverweging plaatsvinden over de terminologie zoals die door vele onderzoekers gebezigd wordt. Waar ligt de grens tussen onwetendheid en onbegrip, hoe kunnen wij nieuwsgierigheid meten en waar manifesteert een superioriteitsgevoel zich. Een groter arsenaal aan bronnen dient hiervoor getoetst te worden.

 

 

 



[1] Joyce Goodfriend, ‘Writing/Righting Dutch Colonial History’, New York History (1999) 5-28

[2] Nan A. Rothschild, ‘De sociale afstand tussen Nederlandse kolonisten en inheemse Amerikanen’, One man’s trash is another man’s treasure (A. Van Dongen red.) (Rotterdam 1995) 189-190

[3] Willem Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz. Een weeskind op zoek naar zichzelf (Nijmegen 1995) 779

[4] Ibidem, 782

[5] Jan Willem Schulte-Nordholt, ‘Nederlanders in Nieuw-Nederland. De oorlog van Kieft, Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 80 (1966) 44

[6] Ibidem, 57

[7] Jaap Jacobs, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Leiden 1999) 54

[8] Ibidem

[9] 'Lois M. Feister, ‘Linguistic communication between the Dutch and Indians in New Netherland’, Hauptman, Laurance M. ed., Neighbours and Intruders, an ethnological exploration of the indians of  Hudson's River, Mercury series, Canadian ethnological service, paper no. 39 (1978) 181-196

[10] Tim Kuipers, De contacten van Nederlandse kolonisten met de indianen 1609-1664 http://Stuyvesant.library.uu.nl/stuyvesant/kaarten/kaarten.htm

[11] David Pietersz. de Vries, Korte Historiael ende journaals aenteyckeninge van verscheyden voyagiens in de vier deelen des wereldts-ronde, als Europa, Africa, Asia, ende Amerika gedaen (H.T. Colenbrander red.) (Werken Linschoten-vereniging 3) (’s Gravenhage 1911) xxi

[12] ibidem, xxxii

[13] ibidem, xxxii ev

[14] ibidem, xlii

[15] Willem Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz. Een weeskind op zoek naar zichzelf (Nijmegen 1995) 733

[16] David Pietersz. de Vries, Korte Historiael ende journaals aenteyckeninge van verscheyden voyagiens in de vier deelen des wereldts-ronde, als Europa, Africa, Asia, ende Amerika gedaen (H.T. Colenbrander red.) (Werken Linschoten-vereniging 3) (’s Gravenhage 1911) 156

[17] Ibidem, 157

[18] Ibidem, 193 ev

[19] Ibidem, xxxvi

[20] Ibidem, 246

[21] Zie voor een uitgebreide bespreking hiervan: Tim Kuipers, De contacten van Nederlandse kolonisten met de indianen 1609-1664

[22] De Vries, 248

[23] Ibidem, 251

[24] Frijhoff, 731

[25] De Vries, 252

 

 

Literatuur

 

 

·         Goodfriend J., ‘Writing/Righting Dutch Colonial History’, New York History (1999)

·         Rothschild N.A., ‘De sociale afstand tussen Nederlandse kolonisten en inheemse Amerikanen’, One man’s trash is another man’s treasure (A. Van Dongen red.) (Rotterdam 1995)]

·         Frijhoff W., Wegen van Evert Willemsz. Een weeskind op zoek naar zichzelf (Nijmegen 1995)

·         Schulte-Nordholt, J.W., ‘Nederlanders in Nieuw-Nederland. De oorlog van Kieft, Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 80 (1966)

·         Jacobs J., Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Leiden 1999)

·         'Lois M. Feister, ‘Linguistic communication between the Dutch and Indians in New Netherland’, Hauptman, Laurance M. ed., Neighbours and Intruders, an ethnological exploration of the indians of  Hudson's River, Mercury series, Canadian ethnological service, paper no. 39 (1978)

·         David Pietersz. de Vries, Korte Historiael ende journaals aenteyckeninge van verscheyden voyagiens in de vier deelen des wereldts-ronde, als Europa, Africa, Asia, ende Amerika gedaen (H.T. Colenbrander red.) (Werken Linschoten-vereniging 3) (’s Gravenhage 1911)