DE REIZEN VAN HENRY HUDSON IN 1609 EN JAN CORNELISZ. MAY IN 1611 NAAR HET POOLGEBIED EN DE AMERIKAANSE KUST

Ellen Stam

Inleiding

In de zestiende eeuw was de weg naar Oost-Indië vol gevaren. Behalve stormen en kapers hadden de Nederlandse zeevaarders ook problemen met concurrerende landen. Dit waren vooral Spanje en Portugal. Bovendien duurde het erg lang voordat een schip weer terug was: via de route om Kaap de Goede Hoop heen ongeveer drie jaar, en via de straat van Magelhaen zelfs nog langer. Een kortere, minder gevaarlijke route zou voor de Nederlandse kooplieden erg goed van pas komen. Met het doel om deze te vinden werden onder andere Henry of Hendrik Hudson en Jan Cornelisz. May door de VOC op ontdekkingstocht gestuurd.

Hendrik Hudson staat vooral bekend als ontdekker van de rivier die later naar hem zou worden genoemd, aan de monding waarvan New York zou ontstaan. Ook is hij de ontdekker van de baai en de zeestraat die tegenwoordig zijn naam dragen. Hij was echter niet de eerste Europeaan die de rivier de Hudson zag, want Giovanni Verrazzano en Estevan Gomez waren hem voor geweest. Wel was hij de eerste die de rivier opvoer ongeveer tot waar nu Albany ligt. Veel minder bekend dan Hudson is Jan Cornelisz. May. Deze vertrok in 1611, twee jaar na Hudson, uit Amsterdam om uiteindelijk ook bij de kust van Noord-Amerika uit te komen.

Bij beide reizen waren tal van belanghebbenden betrokken die er allemaal hun eigen en soms tegengestelde bedoeling mee hadden. Niet iedereen zat bijvoorbeeld even hard te springen om zo'n nieuwe route, en zelfs als er een eenduidige instructie voor een reis was, was het niet zeker dat die ook zo uitgevoerd zou worden.

Mijn vraagstelling voor dit essay is: Wie hadden er belang bij en invloed op de reizen van Hudson en May, wat was hun bedoeling precies, en wat kwam daar van terecht? Ook wil ik weten wat het verband tussen de reizen van May en Hudson was, en wat het belang van hun reizen voor de latere kolonie Nieuw-Nederland was.

De open poolzee-theorie van Plancius

De schrijver van de instructie voor Hudsons reis in 1609 was Petrus Plancius (Dranoute, Vlaanderen 1552 - Amsterdam, 1662). Plancius was in de eerste plaats predikant en speelde als zodanig ook een rol in de bestandstwisten. Daarnaast was hij een erkend aardrijks-, zeevaart- en sterrekundige. Hij was gespecialiseerd in routes naar het verre oosten en was cartograaf voor de VOC, die hij net als de WIC had helpen oprichten. 1

Volgens Plancius moest het mogelijk zijn om naar Oost Indië te zeilen via de Noordpool. Deze route was veel korter dan die via Kaap de Goede Hoop, en werd bovendien niet beheerst door de concurrerende Portugese handelaars. Dat men over de Noordpool kon zeilen was volgens Plancius mogelijk omdat daar, in tegenstelling tot het zeewater direct langs de kust, geen pakijs lag. Hiervoor had hij verschillende argumenten. IJs, zo dacht Plancius, hecht zich aan land. Daar er op de Noordpool geen land is kan er ook geen ijs zijn. Als het schip maar noordelijk genoeg zeilt, is het ijs gemakkelijk te ontwijken. Bovendien was het op de noordpool waarschijnlijk minder koud dan aan de kust omdat het ijs aan de kust de temperatuur deed dalen. Ook had de zon in het noorden tijdens de pooldag de gelegenheid om het water meer te verwarmen dan daar waar het 's nachts door het ondergaan van de zon weer afkoelde. Plancius wist zelfs precies te zeggen dat de kou op 66°NB het ergst was en daarna weer afnam. Ook had hij berekend dat de reis heen en terug naar Indië zo slechts een half jaar zou duren, wat aanzienlijk minder was dan de drie jaar die nodig was voor de route om Afrika heen.

Plancius was niet de eerste met een theorie over een bevaarbare poolzee. In 1582 had Richard Hakluyt een opstel van Robert Thorne uit 1527 gepubliceerd, waarin gezegd werd dat de de route via de pool de kortste en beste was. Ook Gerard Mercator, van wie Plancius een leerling was, had deze overtuiging aangehangen. 2

Plancius was ook direct betrokken geweest bij de reis van Willem Barents in 1596. De mislukking van deze tocht had voorlopig het einde betekend van het enthousiasme bij Nederlandse kooplieden voor de noordoostelijke route naar Indië. Voor Plancius was het echter geen bewijs dat zijn theorie niet klopte.

De VOC

In het register der Resolutiën van de vergadering van de heren XVII, de directeuren van de VOC, van 7 augustus 1603 staat dat 'De vaert bij noorden om', die werd voorgesteld door Plancius, 'is afgeslaegen alsoo ment ondienstig acht te wesen voor dese Compe'. De bekende routes waarop de VOC het monopolie had, leverden genoeg op, dus waarom zouden ze investeren in een reis waarvan het succes zeer te betwijfelen viel? 3 Kooplieden die niet aangesloten waren bij de VOC hadden meer reden om op zoek te gaan naar alternatieve routes naar het oosten. De VOC had wel het monopolie op de bekende, maar niet op eventueel in de toekomst nog te ontdekken wegen. De VOC besefte dit zelf ook, want in dezelfde resolutie waarin het voorstel tot het zoeken van een route via de noordpool afgeslagen wordt, wordt ook gezegd dat er zo veel mogelijk verhinderd moet worden dat anderen het wel proberen. 4 De VOC had echter niet alleen last van binnenlandse concurrentie. De Engelsen hadden na een eerdere reis van Hudson, die hij in 1607 in hun opdracht gemaakt had, hun belangstelling voor de noordoostelijke route verloren, maar Frankrijk niet. Om andere landen voor te zijn nam de VOC in 1609 contact op met Henry Hudson, die toen al twee reizen naar het noorden gemaakt had. Een andere reden om een noordoostelijke route te zoeken was dat die niet gedomineerd zou worden door Spanjaarden, Portugezen of Engelsen. Toen Hudson in Nederland gearriveerd was, weigerde de VOC echter toch weer een reis te financieren. Ondertussen had de concurrerende koopman Isaac Lemaire ook contact gelegd met Hudson. Lemaire handelde niet alleen, maar stond via de Franse ambassadeur Pierre Jeannin in contact met koning Hendrik IV van Frankrijk. Toen de VOC hier achter kwam, bedacht de compagnie zich onmiddellijk: op 8 januari 1609 werd, min of meer tegen wil en dank, een contract getekend tussen de kamer van Amsterdam en Hudson. 5

Het doel van de reis zoals dat in het contract werd geformuleerd, was het zoeken van een doorgang via het noorden, boven Nova Zembla langs. Hudson moest zoveel mogelijk te weten zien te komen over de landen waar hij langs kwam en bij thuiskomst daarvan rapport uit brengen aan de VOC, en zijn logboeken en kaarten in-leveren. De kamer van Amsterdam van de VOC zou een schip voor hem uitrusten. 6

Hudsons eigen opvattingen over de route

Hudson zelf had blijkbaar een ander idee van zijn reis dan de VOC. Al aan het eind van zijn dagboek van zijn tweede reis (in opdracht van de Engelsen, ook langs Nova Zembla naar het oosten) noteert hij dat het zoeken naar een weg naar China in die regio geen zin heeft. Hij is meer geïnteresseerd in een tocht naar het noordwesten, naar 'Lumley's Inlet' (de latere Hudsonstraat). Waarschijnlijk was de kamer van Amsterdam op de hoogte van Hudsons ideeën, want in het contract wordt hem uitdrukkelijk verboden een andere weg te zoeken dan de noordoostelijke. Aan een andere route, zo staat er, valt slechts te denken voor een volgende reis. Hudsons idee over een westelijke route kwam onder andere van de Engelse kapitein Smith, die hem uit Virginia had geschreven over het bestaan van een, zo door Smith genoemde 'westelijke zee'. Deze zee zou ontdekt zijn in 1524 door een Florentijn in Franse dienst, Verrazzano. Deze was als eerste in de monding van de rivier geweest die later de Hudson genoemd is, en meende daar 'el mare orientale' te zien. Daarmee bedoelde hij dat hij dezelfde zee zag waar ook de kust van het Verre Oosten aan lag. Smith dacht dat men via die westelijke zee naar de grote meren kon komen, en van daar uit de Stille Oceaan zou bereiken. 7 Ook kreeg Hudson volgens de cartograaf Hessel Gerritsz. van Plancius het reisverslag en de kaarten mee van kapitein George Weymouth, die in 1602 naar Virginia gezeild was.

De kamer van Zeeland van de VOC, die door Amsterdam op de hoogte was gebracht, was het niet met de reis eens. In een brief van 15 januari 1609 lieten ze weten dat de tocht 'de compagnie niet prejudiciabel sal wesen'. Daarna werden nog meer brieven gestuurd met dezelfde strekking, ook omdat zij het met de keus van Henry Hudson als schipper niet eens waren. Blijkbaar had Hudson ruzie met de equipagemeester Dierck Gerritsz. over de samenstelling van de bemanning. Ook is Hudson om een niet nader aangeduide reden 'begonnenen te muyteneeren', zoals de kamer van Zeeland verontwaardigd schrijft. 8

De reis van Hudson

Hudson vertrok op 6 april 1609 vanuit Texel met het schip de Halve Maen in de richting van de Noordkaap, waar hij op 5 mei aankwam. Op 14 mei besloot hij naar Amerika te varen, waarna hij op de 19e weer bij de Noordkaap terug was. 9 Waarom hij dit toch deed, is niet helemaal duidelijk. Had hij het misschien vooraf al besloten? Emanuel van Meteren schrijft dat muiterij de reden was. De half Engelse, half Nederlandse bemanning kreeg ruzie onder elkaar, waarop Hudson hen liet kiezen tussen naar Amerika gaan om de doorgang naar de westelijke zee te zoeken of via Straat Davis naar Indië proberen te komen. Ze kozen volgens Van Meteren voor het laatste. 10 Robert Juet, een van Hudsons bemanningsleden, zegt hier in zijn verslag weinig over behalve dat men na veel problemen met mist en ijs koers zette naar het westen, en niet meer naar het noordoosten.

Na op 15 juni de voorste mast verloren te hebben, kwamen Hudson en de zijnen zonder veel andere problemen op 1 juli bij de Bank van Newfoundland aan. De 17e kwamen er voor het eerst Indianen aan boord. Zij waren al bekend met blanken, omdat ze ook handel dreven met de Fransen. De volgende dag werd er aan land gegaan om de mast te herstellen. Om onduidelijke redenen dreven bemanningsleden van Hudson de 25e de Indianen uit hun huizen, 'zoals ze met ons gedaan zouden hebben', schrijft Juet. Op 3 augustus gingen enkele bemanningsleden aan land bij Cape Cod, waar de volgende dag Indianen naar hen toekwamen, die hen hartelijk ontvingen. Ze zakten verder de kust af tot de monding van de rivier, die later de Hudson genoemd zou worden.

Op 4 augustus kwamen er weer Indianen aan boord die hen groene tabak brachten, waarvoor de bemanning hen messen en kralen terug gaf. Juet noemt ze 'erg beschaafd'. De Nederlanders zagen dit gebaar als handel. Uit verhalen over de eerste contacten met Europeanen blijkt echter dat voor de Indianen het uitwisselen van goederen deel uitmaakt van een ritueel om de wereld en jezelf in balans te houden en ook als methode om allianties aan te gaan. 11 De Indianen dachten overigens dat de Europeanen met hun reusachtige schip de grote Manitto, de god van de Indianen, waren, en dat deze hen kwam bezoeken. 12 Niet alle Indianen aan de monding van de Hudson waren de Europeanen even goed gezind. De Engelsman John Colman kreeg bij een gevecht met de Indianen een pijl door zijn keel. Hudson voer verder de rivier op tot die op 22 september te ondiep werd en hij met het schip terugkeerde. Op 30 september trofeen Hudson en zijn bemanningsleden een goede plek aan om een stad te bouwen. De weg was er vlakbij en de bergen zagen eruit alsof er mineralen te vinden waren. Na nog meer problemen met de Indianen verlieten ze op 4 oktober uiteindelijk de kust van Amerika om richting Engeland te zeilen, waar ze op 7 november in Dartmouth aankwamen. 13

Waarom Hudson naar Engeland ging, is niet helemaal duidelijk. Van Meteren zegt dat de bemanning was begonnen te muiten en dat ze Hudson bedreigd hadden. Toen ze naar huis voeren, sprak niemand 'van tuys nae Hollant te varen', wat de schipper te denken gaf, en waarop hij voorstelde naar Ierland te varen, om daar te overwinteren. 14 Uiteindelijk werd het dus Dartmouth. Daar aangekomen werd Hudson gearresteerd omdat hij voor de Nederlanders gewerkt had, wat koning Jacobus I beschouwde als verraad aan het nationale belang. Hudsons logboeken en kaarten werden in beslag genomen. Verder dienden de Engelsen een formeel protest in bij de Nederlandse ambassadeur. De Nederlanders reageerden door Hudson te bevelen direct aan hen te rapporteren en een tegenprotest in te dienen bij de Engelse regering. 15 Overigens hadden de Engelsen Hudson misschien de reis al van te voren verboden, zoals blijkt uit een brief van Markies de Quadaleste van 9 mei 1609.

De reis van Hudson had dus niet zo verschrikkelijk veel opgeleverd voor de VOC of voor Plancius. Wat hij wel deed, was de belangstelling wekken voor het gebied waar hij geweest was. Tot dan toe waren er alleen wat Nederlandse schepen geweest om stokvis te kopen voor de markt in het Middelandse zeegebied. Zelf visten ze niet in de rijke visgronden voor Newfoundland. In de Noordzee was immers (verse) vis genoeg. Ook probeerden Nederlanders huiden te kopen in Nova Francia, maar dit werd tegengehouden door de Franse overheid. Hudsons verdienste was dus dat hij een nog door niemand geclaimd gebied ontdekt had waar pelterijenhandel gedreven kon worden. 16

De reis van Jan Cornelisz. May

Nederlandse kooplieden die in pelzen uit het ontdekte gebied wilde gaan handelen, moesten allereerst het gebied nog een keer gaan ontdekken, om aan nauwkeurige kaarten te komen. Met dit doel zond de VOC in 1611/12 een nieuwe expeditie uit. De expeditie werd geleid door Jan Cornelisz. May, die twee schepen mee kreeg, "de Vos" en "de Craen". Het onderzoeken van het gebied rond de de rivier die Hudson ontdekt had ,was echter niet het hoofddoel. Nog steeds geloofde vooral Plancius in het vinden van een weg 'bij oosten om'.

Het initiatief voor de reis werd genomen door twee mannen, Ernest van de Wal en Pieter Aartsz. de Jonge. Op 22 september 1610 kwamen ze bij de kamer van Amsterdam om steun te vragen voor hun plan. Aanvankelijk werd hen gezegd dat het plan wel het overwegen waard was, maar dat ze niet op antwoord hoefden te wachten. Een paar weken later probeerden ze het nog een keer, en nu met meer succes. Plancius, die door de kamer ontboden was om advies te geven, was voor het plan. Voor hem was het een nieuwe gelegenheid om zijn open poolzee-theorie te bewijzen. In zijn advies legde hij vooral de nadruk op het 'groot profyt' die de reis zou kunnen opleveren. De kamer was overtuigd, en op 11 januari werd toestemming gevraagd aan de Staten Generaal, die ook gegeven werd.

May ging mee als schipper op de Vos en de Craen kreeg Symon Willemsz. Cat als schipper. Van de Wal en de Jonge gingen mee als commies. De instructie van de reis van May is, in tegenstelling tot die van Hudson, wel bewaard gebleven, en net als die van Hudson geschreven door Plancius. In de instructie staat het doel van de reis duidelijk geformuleerd: May moest de kust van de straat van Anian, een niet bestaande doorgang naar China, in kaart brengen en op zoek gaan naar een geschikte plek om een fort te bouwen. Ook moest de 'goede gunste ende vruntschap' van de volkeren die er woonden gewonnen worden.Verder kreeg May mondeling nog een opdracht mee die niet in de instructie werd opgeschreven: Mocht het onverhoopt niet lukken de doortocht naar China te vinden, dan moest hij naar Amerika varen om daar de kust te onderzoeken. Dit blijkt uit het verslag van zijn reis. 17

Het reisdoel van May leek dus op de opdracht waarmee Hudson in 1609 op reis was gestuurd.Op 28maart 1611 vertrokken de Vos en de Craen uit Texel. Onderweg geven de leiders van de expeditie regelmatig brieven mee aan schepen die ze tegen komen. De schepen voeren eerst naar het noorden. Op 15 april kwamen ze langs de Noordkaap, boven Lapland. Voor ze verder gingen, bleven ze een tijd liggen bij het eiland Kilduyn voor de kust van Lapland om vers water en eten te zoeken, want de bemanning was verzwakt door de scheurbuik. Bij de eerste poging om bij de Noordpool te komen probeerden ze tussen Spitsbergen en Viseiland door te varen. Viseiland was een niet bestaand eiland dat tussen Spitsbergen en Nova Zembla zou liggen, en dat door Barents 'ontdekt' was. Het noordelijkste punt dat ze bereikten was ongeveer 76° NB, op 5 juli 1611. Omdat ze geen doorgang in het ijs konden vinden, keerden ze weer terug naar de kust van Lapland. Van daaruit deden ze een tweede poging om naar het noorden te zeilen, deze keer voeren ze langs de kust van Nova Zembla omhoog. Toen ook deze poging mislukte, werd 19 augustus besloten 'acht nemende op de mondelinge last van ons E. heeren' om naar Nova Francia te gaan, waar ze op 29 oktober aankwamen, ongeveer ter hoogte van Penobscot.

De hele maand november voeren ze langs de kust naar het zuiden zonder mensen te zien. Ze onderzochten de kust op goede havenplaatsen, zoals de opdracht was. Op 24 november ontmoetten ze voor het eerst Indianen. De bemanning handelde met de Indianen met wat kleine dingen die ze zelf bij zich hadden, omdat er geen handelswaar meegenomen was. Handel was blijkbaar niet het hoofddoel van de reis. De dag erna werden volgens het logboek van May, een aantal bemanningsleden van de Craen door Indianen in de val gelokt en vermoord. Onder de doden was ook Pieter Aartsz. de Jonge, commies op de Craen. De doden werden begraven op een eiland dat 'kerkhof' werd genoemd. Dit was de enige keer op de reis dat de expeditie problemen had met de Indianen. Vanaf dat moment verliepen de contacten vreedzaam. De Indianen brachten hun regelmatig huiden en tabak, die ze 'tamoka' noemden.

Eind februari besloten de leiders van de tocht dat slechts een van de twee schepen terug naar Europa zou gaan om een nieuwe poging te wagen, de straat van Anian via de Noordpool te vinden. Er waren te veel gereedschap en manschappen verloren gegaan om beide schepen uit te rusten. De Craen zou nog twee maanden de kust van Nova Francia onderzoeken om dan naar Europa terug te keren. May deed met de Vos nog twee pogingen om langs Nova Zembla naar het noorden te zeilen. Op 4 augustus 1612 was hij echter gedwongen definitief terug te keren. Uiteindelijk kwam de Craen in juli 1612 terug in Holland en de Vos in oktober. 18

Het belang voor de reizen van Hudson en May voor Nieuw-Nederland

Deze twee reizen vormden de aanloop tot intensievere handel (vooral in bont), en uiteindelijk het ontstaan van de kolonie Nieuw-Nederland. Het jaar nadat May was teruggekeerd voer er nog een expeditie uit van vijf schepen met onder andere Cornelis Hendriksen, Adriaen Block en Cornelis Jacobsz. May, die later ook betrokken waren bij de Nieuw-Nederlandcompagnie. 19 Een ander resultaat, van vooral de reis van Jan Cornelisz. May, was dat men begon te beseffen dat het niet mogelijk was om boven Nova Zembla langs over de Noordpool naar China te zeilen. Ook bleek van verschillende eilanden, zoals Vischeiland, Matsyn en Willoughbyland, dat ze niet bestonden. Verder maakte May een nauwkeurige kaart van de Amerikaanse kust. 20

Conclusie

De vraagstelling bij dit essay was: Wie hadden er belang bij en invloed op de reizen van Hudson en May, wat was hun bedoeling precies, en wat kwam daar van terecht? Ook wilde ik weten wat het verband tussen de reizen van May en Hudson was, en wat het belang van hun reizen vor de latere kolonie Nieuw-Nederland was.

Voor Hudsons reis was dit allereerst de VOC die de reis financierde. De compagnie stond ambivalent tegenover de reis. Aan de ene kant wilden de bewindhebbers graag een kortere route naar Oost Indië vinden die niet door andere landen gedomineerd werd, en het zou hun veel tijd en geld per reis besparen. Aan de andere kant ging het goed zoals de situatie was: Met de bestaande routes verdienden ze een hoop geld, en van een nieuwe stond niet bij voorbaat vast dat die onder hun monopolie zou vallen. Uiteindelijk werd de reis toch ondernomen omdat de Franse concurrentie hun anders voor zou zijn. Voor de cartograaf Plancius was naast het commerciële doel de wetenschap belangrijk: Hij wilde zijn 'open poolzee theorie' bewijzen. Ook Hudson zelf had eigen opvattingen over de reis. De route over de pool moest volgens hem niet in het oosten, maar in het westen gezocht worden. Blijkbaar had hij hier zoveel vertrouwen in dat hij de opdracht van zijn werkgevers ervoor op het spel zette en naar het noordwesten voer, hoewel ook muiterij hier een rol in gespeeld kan hebben.

Door Hudsons reis werd wel de belangstelling voor het nog door niemand geclaimde gebied rond de rivier die hij was opgevaren, opgewekt. De VOC stuurde in 1611 Jan Cornelisz. May uit om de geschiktheid van dit gebied voor de handel te onderzoeken. Ook May moestweer op zoek naar een noordoostelijke doortocht. Plancius speelde in deze reis opnieuween grote rol als adviseur.

Voor de reis van May kwam het initiatief van Ernest van de Wal en Pieter Aartsz. de Jonge, die ook met hart en ziel geloofden in een noordoostelijke passage. Tegen de admiraliteit van Amsterdam zeiden ze dat de middernachtszon in de IJszee zoveel kracht had, dat die het zeewater eerder in zout zou veranderen dan in ijs. 21

De betekenis van de twee reizen voor het latere Nieuw-Nederland was vooral het vestigen van de aandacht op het gebied, en de reis van May leverde ook een gedetailleerde beschrijving en kaarten van de kust op. Snel erna voeren meer Nederlanders erheen om het gebied te onderzoeken en in bont te handelen, hetgeen uiteindelijk tot het ontstaan van de kolonie leidde.

Noten 1. Donald S. Johnson, Charting the sea of darkness: The four voyages of Henry Hudson (Camden 1992) 137.

2. Mr.S.Muller Fz. (ed.), De reis van Jan Cornelisz. May naar de IJszee en de Amerikaanse kust. 1611-1612. Werken uitgegeven door de Linschoten-vereeniging 1 (Den Haag 1909) XVI- XVII.

3. S.P L'Honoré Naber. Hudsons reize onder Nederlandse vlag, 1609. Werken uitgegeven door de Linschoten-vereeniging 19(Den Haag 1921) 17.

4. idem, VI.

5. Johnson, 138-9.

6. idem, 86-7.

7. idem, 134-5.

8. L'Honoré Naber.

9. idem, LV.

10. idem, 107.

11. Paul Otto, 'The origins of New Netherland, Interpreting Native American responses to Henry Hudson's visit', Itinerario 18 (1994) 31.

12. idem, 24.

13. Henry Hudson's voyages. From Purchas his pilgrimes. By Samuel Purchas. (Ann Arbor 1966) 581-595.

14. L'Honoré Naber, 108.

15. Oliver Rink, Holland on the Hudson (New York 1986) 29.

16. Simon Hart, The prehistory of the New Netherland company(Amsterdam 1959) 16.

17. idem, 17.

18. Ellis Lawrence Raesly, Portrait of New Netherland (New York 1945) 8.

19. Muller Fz., L.

20. idem, XXXVII.

21. idem, 1.

Literatuurlijst

Hart, Simon, The prehistory of the New Netherland company (Amsterdam 1959).

L'Honoré Naber, S.P., Hendrik Hudsons reize onder Nederlandsevlag, 1609. Werken uitgegeven door de Linschoten-vereeniging 19 (Den Haag 1921).

Henry Hudson's voyages. From Puchas his pilgrimes. By Samuel Purchas (Ann Arbor 1966).

'350 jaar geleden: Henry Hudson ontdekt Manhattan' Holland review (1959) 15-16.

Johnson, Donald S., Charting the sea of darkness: The four voyages of Henry Hudson (Camden 1992).

Muller Fz., Mr.S. (ed.), De reis van Jan Cornelisz. May naar de IJszee en de Amerikaanse kust. 1611-1612. Werken uitgegeven door de Linschoten-vereeniging 1 (Den Haag 1909).

Otto, Paul, 'The origins of New Netherland. Interpreting Native American responses to Henry Hudson's visit', Itinerario 18 (1994) 22-39.

Raesly, Ellis Lawrence, Portrait of New Netherland. (New York 1945).

Rink, Oliver, Holland on the Hudson. The social and economic history of Dutch New York (New York 1986).

Terug naar het begin van deze pagina