CALVINISTEN OF LOSBOLLEN?
DE NEDERLANDS HERVORMDE KERK IN NIEUW-NEDERLAND 1624 – 1664

Piet Baas

 

‘Waar het Eekhof aan ontbrak was een externe probleemstelling: hoe ontwikkelde de kerk zich in de kolonie binnen het krachtenspel tussen de WIC in patria, de eigen omstandigheden in Amerika, de externe invloeden van de Indianen, de koloniserende mogendheden en de classis en kerkenraad thuis. Om nog maar niet te spreken van de verwachtingen en beelden die de verschil-lende groepen ambtenaren en immigranten met zich meedroegen.’(1)

 

Inleiding

De Middle Collegiate Church, tegenwoordig gevestigd aan de kruising 2nd Avenue en 7th Street op Manhattan in New York, pretendeert de directe voortzetting te zijn van de eerste Nederlands Hervormde Kerk in Nieuw-Nederland, die daar in 1628 door haar dominee Jonas Michaëlius in de hoofdstad Nieuw-Amsterdam werd gesticht (bijlage I). Deze Collegiate Church is in het bezit van een Charter, in 1696 uitgegeven door Koning Willem III van Engeland, tevens stadhouder van de Zeven Provinciën. In dit Charter, waarin onderanderen de eigendomsrechten op grond en gebouwen ten gunste van de ‘Reformed Protestant Dutch Church of New York’ zijn vastgelegd, komen veel Nederlandse namen van ouderlingen en diakenen voor, waaronder die van dominee Henricus Selyns en de grondeigenaresse Elisabeth Drissius, waarschijnlijk de weduwe van dominee Samuel Drisius. Beide predikanten worden ook in Nederlandse bronnen vermeld, hetgeen de geloofwaardigheid van de stelling van de Middle Collegiate Church ten goede komt. De pretentie bewijst ook dat deze huidige New-Yorkers er blijkbaar trots op zijn dat hun kerk, met tegenwoordig nog drie nevenvestigingen op Manhattan, de opvolger is van de ruim 370 jaar daarvoor aldaar gestichte Nederlands Hervormde Kerk. Het prille zaadje uit 1628 is tot een volwassen plant uitgegroeid, niettegenstaande de niet zo vruchtbare (geestelijke) grond van destijds zoals zal blijken.

Vermeend portret van dominee Everhardus Bogardus(1607-1747). glasschildering, 18e eeuw. Met toestemming vanthe New York office of Parks, Recreation and Historic preservation. Senate House State Historic Site te Kingston, New York. preek

In deze tekst is veel ontleend aan het werk van twee auteurs te weten: aan het werk van de Leidse kerkhistoricus A. Eekhof, die in 1913 het zeer goed gedocumenteerde tweedelige De Hervormde Kerk in Noord-Amerika (1624- 1664), schreef over het wel en wee van die kerk in Nieuw-Nederland en aan de uit 1995 daterende zeer omvangrijke en veelomvattende biografie over dominee Bogardus van de hand van de Amsterdamse historicus W. Frijhoff getiteld Wegen van Evert Willemsz., Een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf 1607-1647. Dit boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel omvat de spectaculaire levensloop van Evert Willemsz. Bogaert uit Woerden tot aan zijn uitzending als predikant naar Nieuw-Nederland. Het tweede deel gaat over de ervaringen van dominee Bogardus, zoals Evert dan heet, in Nieuw-Nederland en dit alles in een zeer ruim kader zowel op geestelijk als op wereldlijk terrein.

Organisatie van de Hervormde Kerk in Nieuw-Nederland

In 1621 had de West-Indische Compagnie(WIC) van de Staten-Generaal van de Zeven Provinciën het alleenrecht verkregen op de ontwikkeling van West-Afrika en op het Westelijk halfrond. Het duurde nog tot 1624 alvorens er immigranten zich vestigden in Nieuw-Nederland in Noord-Amerika en wel op het schiereiland Manhattan tussen de monding van de Hudsonrivier en van de Oostrivier en Nieuw-Amsterdam stichtten, het huidige New York.

Ook in het noorden van Nieuw-Nederland stichtte een groep van dertig kolonistenfamilies, vluchtelingen uit Wallonië, het Fort Oranje nabij het huidige Albany. Daar bestond al het in de jaren daarvoor gestichte Fort Nassau dat in de Hudson lag en daarom veel van wateroverlast te lijden had. Aan de rivier de Delaware, ten zuiden van Philadelphia werd door kolonisten het Fort Nassau gebouwd. Binnen de WIC was de kamer van Amsterdam belast met het toezicht op de ontwikkeling daar.

In de Zeven Provinciën was er begin 17e eeuw een heftige strijd losgebrand over ernstige godsdienstige meningsverschillen tussen de zogenaamde remonstranten en de contraremonstranten. Aanhangers van beide groepen waren lid van de ene Hervormde Kerk. Deze strijd had ook ernstige politieke gevolgen waaronder het ter dood veroordelen van de belangrijkste functionaris binnen de Staten-Generaal, Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1619. Het voornaamste geschilpunt tussen de beide groepen was dat de remonstranten, zoals hun voorman Arminius het omschreef, van mening waren ‘dat iedere gelovige in staat is de gave van het geloof te verwerven en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor zijn eigen heil. Daarmee was in de ogen van zijn tegenstander Gomarus’ in de ‘paapse valkuil’ van de leer van de zogenaamde ‘goede werken’ gevallen.’ (2) De contraremonstranten daarentegen gingen uit van de voorbeschikking, hetgeen inhield ‘dat Gods raadsbesluit ten aanzien van degene die al of niet na zijn stoffelijke dood in de zaligheid zou worden opgenomen geen enkele afhankelijkheid kent van menselijk handelen: zelfs een innig geloof en vroom leven bleven immers besmet met de erfzonde en ’s mensen inherente zwakheid. Het lag bij God van tevoren al vast dat slechts sommigen geloof en heil werden geschonken.’ (3)

Deze godsdienstige strijd werd in de jaren twintig in het voordeel van de contraremonstranten beslecht. Dit had tevens tot gevolg dat de Amsterdamse Kamer van de WIC, die voornamelijk uit contraremonstrantse bestuurders bestond, zeker tot circa 1645 alleen haar welgevallige kolonisten liet emigreren naar Nieuw-Nederland. Tot 1664 werden bovendien slechts contraremonstrantse predikanten uitgezonden.

De kerkenraad van de Hervormde Kerk van Amsterdam maakte zich zorgen over de geestelijke belangen van de kolonisten, omdat daarover in de schriftelijke regelgeving van het octrooi met geen woord werd gerept. Daarom zond de kerkenraad in 1623 een afvaardiging naar het bestuur van de WIC, de heren XIX, ‘om deselve te vermaenen, dat se de schepen, die se nae West Indien uutsenden, doen versien van predicanten ende sieckentroosters.’(4) Hun zorg gold dus het hele gebied van de WIC. De heren XIX namen de klacht kennelijk serieus want in 1624 werd als eerste geestelijk verzorger de ziekentrooster Bastiaen Jansz. Krol naar Nieuw-Amsterdam gezonden. Ziekentroosters waren niet academisch geschoold. Ze mochten als voorganger uit de Bijbel en uit andere stichtelijke boeken voorlezen maar niet preken of sacramenten toedienen. Soms mochten zij wel de doop bedienen, zij het pas na uitdrukkelijke machtiging van de kerkenraad en later de classis van Amsterdam. Meestal hadden zij ook nog een ander beroep zoals onderwijzer, schout e.d.. De combinatie van voorganger in de kerk en ziekentrooster kwam vaker voor in Nederlandse kolonies (zoals in West-Afrika, Zuid-Amerika en Nederlands-Indië).

Eekhof (5) is van mening dat de Hervormde Kerk met de komst van Krol in Nieuw-Amsterdam in 1624 gesticht werd, in tegenstelling tot de tabletten in de Collegiate kerk die 1626 aangeven of de website van die kerk waar 1628 vermeld wordt. In 1628 werd Jonas Michaëlius door de Amsterdamse kerkenraad als eerste predikant uitgezonden.

Het gaat te ver om hier het wel en wee van alle vijftien predikanten en ziekentroosters in Nieuw-Nederland tot aan het einde van het Nederlandse bestuur in 1664 te behandelen (Zie bijlage II voor een overzicht met plaatsnamen, namen van voorgangers en jaartallen). Bepalend is wel dat de uitzending, in het begin ook de gehele honorering, geschiedde door de WIC of door een patroon, zoals in Rensselaerswyck, maar dat de voorgangers op geestelijk gebied verantwoording schuldig bleven aan de Amsterdamse kerkenraad en vanaf 1638 aan de classis aldaar. De classis had uit haar midden een speciale commissie ingesteld de ‘deputati ad res Indicas’, die belast was met het onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaten en de uiteindelijke voordracht voor uitzending aan de WIC.

Dominee Michaëlius in Nieuw-Amsterdam en later de predikanten van nieuwe kerkelijke gemeenten op het Lange Eiland, in Rensselaerswyck en aan de rivier de Delaware richtten hun gemeenten bestuurlijk in zoals in Nederland gebruikelijk was met ouderlingen, kerkenraad en diakenen en de daarbij behorende kerkelijke discipline, dit alles onder verantwoording van de Amsterdamse kerkelijke autoriteiten.Er bestond een ambivalente verhouding op wereldlijk en geestelijk gebied tussen enerzijds de predikanten, hun achterban in hun gemeente en de Amsterdamse ‘deputati ad res Indicas’ en anderzijds de Amsterdamse kamer van de WIC en haar hoogste vertegenwoordiger in Nieuw-Nederland, de directeur-generaal en diens medewerkers. Hierdoor braken er regelmatig conflicten uit, was het niet over financiële zaken dan wel over het gedrag van de burgerlijke of de kerkelijke autoriteit in de kolonie. Dominee Michaëlius kreeg het bijvoorbeeld met de directeur-generaal Peter Minuit aan de stok over diens ruzie met de secretaris van de kolonie Jan van Remunde. De dominee was in brieven aan zijn vrienden in Nederland zeer negatief over het gedrag van Minuit. Toen hij in 1632 naar Amsterdam terugkeerde was dit voor de WIC aanleiding om Michaëlius niet voor een tweede keer naar Nieuw-Nederland te zenden, alhoewel de dominee daar in 1637 wel oren naar had. Berucht waren ook de aanvaringen tussen dominee Everhardus Bogardus en de directeur -generaal Wouter van Twiller (1633-1638), de schout-fiscaal van Nieuw-Nederland Lubbert Dinclagen (1634-1636) en directeur-generaal Willem Kieft (1638-1647). Frijhoff wijdt in zijn biografie over Bogardus uitgebreid aandacht aan deze confrontaties. (6)

Samengevat kwamen die strubbelingen er op neer dat Bogardus zich op het standpunt stelde dat hij, naast zijn taak tot oordelen over het gedrag van zijn gemeenteleden, ook het morele recht had over het functioneren van de autoriteiten in burgerlijke zaken te oordelen. Een belangrijk geschilpunt tussen de predikant en de directeur Kieft was de wrede oorlog die Kieft in 1643 tegen de indianen op Manhattan en het lange Eiland bewust was begonnen. Maar al die botsingen tussen de predikant en zijn tegenstanders laten onverlet dat Bogardus het toch vijftien jaar in Nieuw-Amsterdam heeft uitgehouden. Bij een gebruikelijke uitzendperiode van drie of vier jaar moet hij het in de ogen van de Amsterdamse classis en de Amsterdamse kamer van de WIC toch zo slecht nog niet gedaan hebben. Daar staat tegenover dat de door Bogardus op onduidelijke gronden geëxcommuniceerde en daardoor uit Nieuw-Nederland verdreven schout-fiscaal Van Dinclagen al snel daar als tweede man weer terugkwam. Hechtte de WIC toch niet zoveel gewicht aan het oordeel van Bogardus?

De perikelen van andere predikanten, die meestal vergezeld waren van hun gezin, hadden voornamelijk betrekking op hun onvermogen in Nieuw-Nederland rond te komen als gevolg van het niet-nakomen van de financiële en huisvestingsverplichtingen door de WIC of hun kerkelijke gemeente in Nieuw-Nederland.

De zedelijke toestand van de gelovigen in Nieuw-Nederland

De zedelijke toestand van de gelovigen in Nieuw-Nederland is goed te beschrijven aan de hand van de berichtgeving uit het patroonschap Rensselaerswyck, gelegen in noordelijk Nieuw-Nederland en eigendom van de in Nederland wonende Kilian van Rensselaer. Hierbij moet worden aangetekend dat deze informatie dateert uit 1643, veertien jaar na de stichting van dit patroonschap en een kleine twintig jaar nadat de eerste kolonisten die onder de paraplu van de WIC waren uitgezonden, in Nieuw-Nederland arriveerden. Die patroon schreef toen aan de door hem in 1642 uitgezonden dominee Johannes Megapolensis: ‘Dat UE. de menschen in de colonie int gemeen niet en vint, als wy beyde wel souden wenschen is aparent ende sonder twijffel. De delicentie vant lant, het cleyn getal der menschen, die gemene-lijck meer het schouwen van andre menschen als de penetreerende ogen des Heeren vreesen, het ontbeeren van een goede harder, het gemene quaet soo der natuere, als dat het beste slagh selden soo verre over zee treckt, sal UE. oorsaecke geven van droeffheyt ende neersticheyt, van patien-tie ende opmerckinge, omme by des Heeren segen andere luyden van haer te maecken.’ (7) Van Rensselaer moedigde Megapolensis voorts aan, onder verwijzing naar zijn eigen negatieve ervaringen bij zijn werknemers in Holland, om vol te houden met zijn kerkelijk werk. De dominee moest er bij de commies Arent van Curler, de vertegenwoordiger van de patroon in Rensselaerswijck, op aandringen de aanvoer van wijn en sterke drank uit Nieuw-Amsterdam te beperken, niet alleen omdat overmatig drankgebruik in strijd was met het goddelijk en dus kerkelijk gebod maar ook de arbeidsprestaties van de kolonisten sterk beperkte en dus zo de belangen van de patroon schaadde.

Datroon Kilian van Rensselaer vaardigde in september 1643 het ‘Redres van de Abuyssen ende Faulten in de Colonie van Rensselaerswijck’ uit, waarmee hij een predikant waardig zou zijn geweest. Hierin uitte hij zijn diepe teleurstelling over het gedrag van zijn kolonisten. Hij zocht daarbij niet alleen naar de oorzaken, gaf ook de middelen aan om de toestand te verbeteren. Naast het materiële doel voor de stichting van zijn patroonschap stond bij hem voorop ‘…de oeffeninghe der godtsaligheydt, oock publyck de christelycke Gereformeerde religie daer ter plaetsen te doen prediken, opdat oock de blinde heydenen totte kennisse onses Salighmakers Jesu Christi mochten worden gebrocht.’ (8) Van Rensselaer was, evenals zijn informant, negatief over zijn kolonie omdat er bijna ‘geen gedaente van godtsaligheyt ofte gerechticheydt’ te vinden was. Daarnaast betreurde hij het dat de kolonisten ook hun onderlinge verplichtingen en die ten opzichte van hun patroon niet nakwamen. Van Rensselaer wees op een aantal oorzaken van deze misstanden die vooral op zijn patroonschap betrekking hadden. Zoals Eekhof aangeeft, zouden sommige daarvan ook van toepassing kunnen zijn op andere delen van Nieuw-Nederland.(9)

Als eerste oorzaak vermeldde Van Rensselaer, het ‘ghemack ende overvloet’, die de meeste van de kolonisten niet waren gewend en te danken waren aan de goedwillendheid van de patroon, die immers de reiskosten voorgeschoten had. Hij zorgde ook in Rensselaerswyck voor alle materiële voorzieningen zoals woningen, vee, landerijen en bij aankomst voedsel, waarbij hij uitdrukkelijk de verstrekking van wijn en sterke drank uitsloot daar de verstrekking daarvan niet tot de taak van de patroon behoorde. Als tweede oorzaak vermeldde hij ‘overdadicheydt, die sy ghebruycken in hetgene haer niet en betaemt, haar niet contenterende metten ordinaris dranck van huysluyden, noch met bier, maer den meesten hoop, jae tot boerenknechts ende andere toe, ghebruykende in overdadicheyt wynen, brandewynen ende andere stercke drancken….’ hetgeen voor zich spreekt. ‘Ongetrouwicheyt, verachtende niet alleen de ordonnantien ende keuren, die sy haerluyden gewillich hebben onderworpen van haren patroon, maer deselve regelrecht tegengaende ende misbruyckende, nemende al aen, dat sy konnen bekomen op reeckeninge, dat is, immermeer gelt, alsoo de reeckeninge open blyven staan’ was zijn derde verwijt aan de kolonisten. De vierde tekortkoming was ‘begeerlijckheit, dewelcke sy betoonen in het onderhouden van hare contracten, interpreterende dezelven naer haren wille ende believen, hetwelcke niet aan haer, maer aen den patroon toekomt’ waarna hij verwees naar alle voorzieningen die hij al patroon voor zijn rekening had genomen en waarmee de kolonisten blijkbaar niet tevreden waren. Het laatste verwijt was het toegeven aan ‘verleydinghe van andre vrye luyden van beneden op komende, die haer doen vergheten haren schuldighen plicht ende getrouwicheyt, die sy haren patroon schuldich syn, alle hetwelcke overwogen sijnde, sal bevonden worden, dat by diegene die christenen willen wesen, grooter ende slimmer sonden in swange gaen, als onder de heydenen selfs.’

Al deze zonden riepen, naar de mening van Van Rensselaer, om Gods wraak zoals ook

bleek uit overstromingen die toen veelvuldig in het patroonschap voorkwamen in tegenstelling tot de eerste jaren. Van Rensselaer liet daarom vervolgens een gevangenis inrichten en vaardigde strenge straffen uit op contacten tussen de kolonisten en de Indiaanse vrouwen en meisjes. Doordat ook op het wegblijven van de verplichte wekelijkse kerkdienst boeten stonden, was het kerkbezoek opmerkelijk hoog. Ook aan dit aspect besteedde het ‘Redres van de Abuysen’ uitgebreid aandacht.Ook in het centrum van Nieuw-Nederland, in haar voornaamste nederzetting Nieuw-Amsterdam op Manhattan, waren er klachten over de zeden. Was er in de Zeven Provinciën in de 17e eeuw sprake van een sterke sociale controle en de aandacht voor familietradities, in Nieuw-Nederland raakten de immigranten door de kommervolle omstandigheden het spoor veelal bijster.

Dominee Michaëlius sprak zich in een brief uit 1628 aan een collega in Holland negatief uit over de gedragingen van zijn medeburgers in Nieuw- Amsterdam waarvan ‘de meeste apart al vry wat ruych ende ongebonden’ waren. (10) Het ‘ruyche’ karakter van de kolonisten kwam vooral tot uiting in het drankgebruik. Toch duurde het nog tot 1638 voor directeur Kieft maatregelen trof om de drankverkoop aan de WIC voor te behouden om zo het drankgebruik te kunnen sturen en matigen. Door directeur Stuyvesant werden in 1648 nieuwe kroegen gebonden aan een vergunning van de WIC en hij vaardigde tevens een verbod uit op verkoop van drank aan indianen.

Dominee Backerus schreef in 1648 aan de classis in Amsterdam over de honderd zeventig lidmaten in zijn gemeente Nieuw-Amsterdam: ‘Meest alle sijn seer onwetende int stuck van religie en seer genegen tot dronckenschap, waertoe haer groote aenleydinge geeft de zeventien taphuysen alhier ter plaetse staende. Wat snode vruchten dit baert, connen de E. broederen selve genoech versinnen.’ Backerus drong er op aan om de vertrekkende schoolmeester en voorzanger Stevensen te doen vervangen door iemand die naast een goed leraar zijnde ‘ … die groote vrijmoedicheyt durfde gebruycken int bestraffen van de sonden…. maer die oock neffens trouwe en stichtelycke levenswandel, goede kennisse hadde van de hooftstucken des geloofs om also de kinderen te leeren de fondamenten des geloofs een H. wandel na de schrift’ om te besluiten met ‘ De ouden sijn veele sooseer verbijstert, dat sy haer schamen, wat goets te leren.’ (11)

Preekstoel in Nederland gemakt voor 'the original Albany Dutch Reformed church, 1656 daar geplaatst.
De derde predikant in Rensselaerswyck, Fort Oranje, of Beverwyck, Gideon Schaets, was vanaf 1657 in dienst van de WIC en had continu problemen over de betaling van zijn traktement. De WIC hield vol dat de kerkelijke gemeente het traktement diende te betalen. Schaets meende dat als hij van de gemeenteleden afhankelijk werd er niet veel van zijn salaris terecht kwam. ‘Zy toch verspelen en verwedden menichmael, liever lichtveerdelijck een ton bier á 2, van 24 gulden de ton, of andere natte waren; evenwel de goede niet te na gesproken, die te weynige souden sijn om die gagie op te brengen.’ Aldus Schaets in zijn brief uit 1657 aan de classis van Amsterdam. (12) Eekhof concludeert dan ook dat de gemeente een predikant in ere hield zolang zij profijt van hem meende te kunnen trekken maar voor wie zij geen woning wilde bouwen, met gevolg dat Schaets met zijn gezin in het armenhuis moest wonen. (13)

Schaets klaagde in zijn brief uit 1657 over de slechte toestand in zijn gemeente. ‘Er zijn vele hoorders, maar weinig daders des woords’. (14) Schaets had zich in sommigen vergist, zo meende, want ‘ick ben, God betert, al vry wat van sommige bedrogen geweest.’ Zo moest de dominee anderen van het Avondmaal weren en bleven weer anderen om de minste kleinigheid daarvan weg. Toch was de opkomst in de kerkdienst ‘s zondags groot. Soms waren er 300 tot 400 mensen aanwezig, op een totaal van 600 gemeenteleden. Maar ook de herbergen waren meestal vol, aldus Eekhof.(15).

De geloofstoestand van de gelovigen in Nieuw-Nederland

Hoe gedroegen de hervormden zich tegenover hun medechristenen, tegenover joden, indianen en zwarten? Gedurende de eerste decennia van haar bewind werden door de WIC alleen maar gereformeerden aangetrokken, mede op aandrang van de Amsterdamse classis. Na de vrede van Munster in 1648 werd de economie van de Zeven Provinciën, waaronder speciaal die van Amsterdam expansiever. De WIC wilde ook haar belangen in Nieuw-Nederland uitbreiden en liet ook de immigratie van anderen toe, zoals Lutheranen en joden.

Tot dan meende de Hervormde kerk dat zij, ondanks haar problemen met de WIC en speciaal met de directeuren-generaal in Nieuw-Nederland, de bewaakster was van het ware religieuze leven in de kolonie. De immigratie in de kolonie van christenen van allerlei denominaties en joden vormde in de ogen van de hervormde kerk een ernstige bedreiging. De Amerikaanse historicus George L. Smith beschrijft in ‘Religion and Trade in New Netherland’ de groeiende tegenstelling tussen de economische belangen van de WIC en de belangen van de Hervormde kerk als volgt: ‘What place did these Lutherans, Jews, Quakers, Mennonites have in a Reformed society? What was New-Netherland about? If it was in the first place a commercial venture, should not its ecclestical life at lest be kept pure so that God’s glory would not be defiled?’ Het antwoord was duidelijk. ‘To all this the colonial clergy, led by Johannes Megapolensis replied virgorously. And the Classis of Amsterdam gave them ample support in the homeland by appealing frequently and insistently to the directors of the WIC.’ (16)

Vanaf die tijd gingen de belangen van kerk en WIC uit elkaar lopen. ‘Viewed by the predikanten as a net Reformed establishment, the colony was enlarged by the most divers religious types which were sometimes sent there by the company itself. …Thus the Dutch experienced …. the frustration of internal dispute How this dispute would have developed in the long run is a question about which the historian can only speculate, for the events of 1664 brought Dutch rule in the province to a abrupt end.’(17) Vanuit de Engelse kolonies in Noord-Amerika kwamen ook in toenemende mate Engelse presbyterianen naar Nieuw-Nederland, die zich voornamelijk op het Lange Eiland vestigden. Zij konden moeilijk aarden in het strenge Nieuw-Engeland en hun geloof, met een nadruk op de invloed van de gekozen presbyters, vertoonde veel overeenkomst met dat van hervormde gemeenten, waar de predikanten ook veel invloed hadden. Zij werden dan ook in Nieuw-Nederland door de WIC en de hervormde kerk getolereerd. Met de Engelse puriteinen hadden de hervormde minder gemeen. In de ogen van die Engelsen was Nieuw-Nederland een poel van verderf, een land waar geen orde heerste. De Engelse kolonisten die het huidige Connecticut, een deel van Nieuw-Nederland opeisten, schreven in1642 aan de Staten-Generaal, na een verwijzing dat de Nieuw-Nederlanders te klein in aantal waren omdat dat gebied goed te beheren vervolgens ‘daerenboven sy leven aldaer sonder regel in een godloosicheyt den Evangelium Christi niet betamende.’ (18)

De Belgische Jezuïet Zwierlein bekritiseert de geloofskwaliteit van de kolonisten en hun voorgangers. Ook over de houding van de Hervormde Kerk en haar voorgangers ten opzichte van afwijkende geloofsovertuigingen oordeelt hij negatief. ‘The Dutch inhabitants were largely indifferent to religion; the professed members of the Dutch Reformed Church never manifested great zeal in the practice of their faith; and all attempts at the organization of dissenting worship were strictly prohibited by law. (19)

Uit de bronnen blijkt dat de Rooms-Katholieken maar amper vertegenwoordigd waren in Nieuw-Nederland, waardoor zij geen animositeit van de gereformeerden opriepen.

Frijhoff meent dat de gereformeerden zich verschillend opstelden ten opzichte van negers en indianen. ‘Negers en indianen werden door de predikanten niet over één kam geschoren. Hoe zou dat ook kunnen? De Indianen bleven zich uitdrukkelijk als de oorspronkelijke, vrije bewoners van het land manifesteren, terwijl de meeste negers als slaven binnenkwamen. Het beeld van de Indianen werd bepaald door hun kwaliteit als volk, dat van de negers in de eerste plaats door hun waarde als arbeidskracht.’(20)

De Hervormde kerk in Nieuw-Nederland rekende het vanaf het ontstaan van de kolonie tot haar taak de indianen te bekeren. Michaëlius in Nieuw-Amsterdam had daar uitgesproken ideeën over. Bekering van volwassen indianen achtte hij niet mogelijk. In zijn ogen moesten de kinderen gescheiden worden van hun ouders en bij de Europeanen worden ondergebracht en geschoold. Na afronding van hun godsdienstige vorming zouden zij weer terug moeten gaan naar hun stammen en daar het christelijke geloof verbreiden. Dit, gezien vanuit de bekering tot het christendom, ambitieuze plan is nooit gerealiseerd. De contacten met de indianen waren in Nieuw-Amsterdam in het algemeen veel vijandiger dan later in Rensselaerswyck, dat bovendien een grotere indiaanse bevolking kende en door veel indiaanse volken omringd werd.

Die vijandigheid in Nieuw-Amsterdam en omgeving kwam tot uitbarsting in oorlogen met de indianen, van 1643 tot 1645 op Manhattan en het Lange Eiland met veel slachtoffers vooral onder de indianen en in 1663 in Esopus/Wiltwyck met veel doden onder de kolonisten. Naast het gebruik van vuurwapens bij schermutselingen door de kolonisten, maakten het drankmisbruik en door de immigranten uit Europa overgebrachte ziekten veel slachtoffers onder indianen.

In Rensselaerswyck, waar de omgang tussen blanken en de indianen in beider belang veel beter was, trachtte Megapolensis de indianen het christelijke geloof en zijn moraal over te brengen.Tijdens kerkdiensten waren ook indianen aanwezig. ‘Megapolensis legde hun dan uit dat hij de gelovigen de juiste gedragsvoorschriften inscherpte: niet stelen, niet drinken, niet moorden- waarop de Indianen zich erover verbaasden dat hij zo weinig gezag had, gezien de lakse wijze waarop die moraal werd toegepast. Het kwade voorbeeld van de blanken was steeds weer een motief voor de Indianen om het christelijke geloof te geringschatten. Wie zich zo slecht gedraagt kan immers niet religieus zijn.’(21) Ook daar kwam het tot geen enkele definitieve bekering. Als gevolg van het taalprobleem zal de moeilijke communicatie tussen de beide bevolkingsgroepen mede een oorzaak geweest zijn bij conflicten.

In 1628 noemde dominee Michaëlius de paar Angolese negerslavinnen die hij in Nieuw-Nederland aantrof ‘diefachtige, luye ende ontydige vodden.’ (22) De toon was daarmee gezet.

De aanvoer van negers als slaven in het begin van Curaçao en later uit West-Afrika was geheel in handen van deWIC. Ook de slavenhandel in Nieuw-Nederland was in haar handen. Illustratief voor de positie van de negerslaven in Nieuw-Nederland is de boodschap van de vice-directeur Beck van Curaçao aan zijn baas Stuyvesant, bij een zending negerslaven naar Nieuw-Amsterdam dat er ook ‘twee jongens ende een mijsken voor den directeur’ bij waren. (23) Tijdens hun transport stierven er velen aan ziekten en als gevolg van onvoldoende voedsel en drinken. Vooral na 1650 nam de aanvoer van slaven sterk toe. Zij werden bij de uitbreidende landbouw ingezet, omdat de vroegere economische peiler van de kolonie de beverhandel sterk in belang was teruggelopen.

Bekeringsarbeid onder de negers had wel enig succes, meer dan onder de indianen. Frijhoff vraagt zich af of de doop door de predikant en de zwarte doopouders als een uitweg uit de slavernij werd gezien. ‘De Dordtse synode had daar uitdrukkelijk voor gepleit. Een uitspraak van dominee Selijns uit 1664 wijst erop dat negerouders het daar wel op aanlegden. Zeker een deel van de blanke bevolking moet de doop nog lange tijd als een instrument tot vrijmaking uit slavernij hebben beschouwd.’ (24)

Eekhof is zeer kritisch over de Hervormde Kerk in Nieuw-Nederland ten opzichte van het gedrag van haar voorgangers en andere gelovigen tegenover de negers, de slavenhandel en gedwongen arbeid in het algemeen: ‘En wat heeft nu de Ned. Herv. (Ger.) Kerk, die in die dagen het eenig wettig erkende kerkgenootschap in Nieuw-Nederland was, gedaan, wat hebben hare predikanten, wier getal van twee tot zes wisselde, uitgericht, tot verhooging van het zedelijk peil dier slaven? Weinig of niets. Sommige predikanten hielden zelf slaven.’(25)

Ter verontschuldiging van het verdere godsdienstig-zedelijk leven van de gereformeerden in Nieuw-Nederland in de 17e eeuw meent Eekhof in 1913 dat het niet aangaat huidige maatstaven, die van het begin van de 20e eeuw, aan te leggen. Hij maakt daarbij geen onderscheid tussen de Hervormde kerk, haar voorgangers en haar gelovigen. ‘De kolonisten van Nieuw-Nederland leefden in een tijd, dat de godsdienstige en zedelijke opvatting van het leven ook in ons vaderland een andere schakering vertoonden, dan in onzen tijd…. Nu waren onze vaderen, die op den Nederlandschen bodem bleven, nog in contact met familie-traditiën, goeden vorm en erkende zeden, maar zij, die in den vreemde zwierven, zich onder allerlei kommervolle omstandigheden in een pas ontdekt land vestigden en daarbij aan velerlei verzoekingen, ook in hunnen omgang met de vreemde natiën blootstonden, verloren dikwijls stuur in het leven. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat de historie-bladen van Nieuw-Nederland enige donkere bladzijde in het leven der kolonisten te zien geven.’ (26) Eekhof voert daarbij tevens aan dat de kolonisten van de 17e eeuw ‘niet van het besten soort waren. Voor het meerendeel waren het verarmde gelukzoekers, die in het vreemde land hun lot trachtten te verbeteren.’ (27)

Ook Frijhoff oordeelt mild over het gedrag van de immigranten. ‘De kolonisten van Nieuw Nederland waren compagniesdienaars, handelaren die avonturierden, boeren die een nieuwe toekomst zochten. Het religieus ideaal kwam er op de tweede plaats.’ (28)

Conclusie

Naar huidige maatstaven is het gedrag in de 17e eeuw van de Hervormde kerk in Nieuw-Neder-land en haar voorgangers ten opzichte van negers en immigranten met een afwijkende geloofs-

overtuiging niet te excuseren. Voor de burgerlijke autoriteiten, in de persoon van de opeenvol-gende directeuren-generaal geldt dat des te meer ten aanzien van hun optreden tegenover de negerslaven en de indianen.

De meer of minder eenvoudige kolonisten waren er meestal in de eerste plaats op uit om in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk geld te vergaren maar gedroegen zich daarbij niet veel anders dan hun calvinistische landgenoten in het vaderland onder veel gemakkelijker omstandigheden.

Een belangrijk verschil was wel het drank(mis)gebruik in de kolonie in vergelijking met dat in het vaderland. Frijhoff is, als hij dominee Bogardus’ drankzucht bespreekt, van mening dat ‘het niet eenvoudig is de betekenis van de drankzucht te peilen in een kolonie waarin dronkenschap endemisch was. Zeker was drinken vaak een vorm van constructive drinking, een aggregatierite, een symbolische vorm van verbroedering, en een probaat middel voor gemeenschapsvorming. Uit de bronnen blijkt dat inderdaad dat elke gelegenheid in de kolonie voor een drankfestijn ten behoeve van de gehele gemeenschap werd aangrepen. Maar dronkenschap werd in sommige omstandigheden, of door sommige personen, ook daar reeds als een zonde beschouwd die een gebrek aan zelfbeheersing verried’ (29)

De negatieve eigenschappen en gedragingen van de hervormde kolonisten, met inbegrip van hun geestelijke leiders, in Nieuw-Nederland waren speciaal hun optreden, zeker naar huidige maat-staven, tegenover de negers uit Afrika en daarnaast hun drankge(mis)bruik.

De positieve punten waren hun doorzettingsvermogen ondanks de soms erbarmelijke omstandigheden, de gedurende lange tijd goede verstandhouding met de oorspronkelijke bewoners de indianen en later ook met hun Engelse buren.

De negatieve uitingen van hun voorgangers over het gedrag van de kolonisten werden mede veroorzaakt door de aanhoudende geldelijke zorgen die de predikanten ondergingen. Weliswaar waren de gelovigen hier mede debet aan, maar dezen konden blijkbaar niet meer bijdragen voor het onderhoud van hun predikanten. De kolonisten waren regelmatige kerkbezoekers, wellicht onder zekere drang, en gedroegen zich in het maatschappelijk verkeer gaandeweg als hun landgenoten in de Zeven Provinciën.

Noten

(1) Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz., 825;

(2) I. Schöffer, De Lage Landen van 1500 tot 1780, 231;

(3) Ibidem,

(4) Eekhof, Bastiaen Jansz. Krol, 17;

(5) Ibidem, 31;

(6) Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz.,657-698;

(7) Eekhof, De Hervormde Kerk in Nieuw-Nederland, deel I, 114-115;

(8) Ibidem, 150-151;

(9) Ibidem, 151-153;

(10) Ibidem, deel II, 91;

(11) Ibidem, 92;

(12) Ibidem, deel I, 149;

(13) Ibidem, 150;

(14) Ibidem, 147;

(15) Ibidem;

(16) Smith, Religion and Trade in New-Netherland, 140;

(17) Ibidem, 1401-141;

(18) Frijhoff, 600;

(19) Zwierlein, Religion in New Netherland, 60;

(20) Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz., 765;

(21) Ibidem, 783,

(22) Ibidem, 765;

(23) Eekhof, De Hervormde Kerk in Nieuw- Nederland, deel II, 152;

(24) Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz., 774;

  1. Eekhof, De Hervormde Kerk in Nieuw-Nederland, deel II, 160;
  2. Ibidem, 90;
  3. Ibidem, 91;

(28) Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz., 602;

(29) Ibidem, 873.

Literatuur

A. Eekhof, Bastiaen Jansz. Krol, Krankenbezoeker, Kommies en Kommandeur van Nieuw-Nederland (1595-1645) (Den Haag 1910).

A. Eekhof, De Hervormde Kerk in Noord-Amerika (1624-1664), deel I en II (Den Haag, 1913).

A. Eekhof, Jonas Michaëlius, Founder of the Church in New Netherland (Leiden 1926).

Willem Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz., Een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf 1607-1647 (Nijmegen 1995).

I. Schöffer e.a. De Lage Landen van 1500 tot 1780 (Amsterdam en Brussel 1983).

George L. Smith, Religion and Trade in New Netherland, Dutch Origins and American Development (Ithaca en Londen 1973).

Frederick J. Zwierlein, Religion in New Netherland 1623-1664 (Rochester, NY 1910).

Hyperlinks

Meet New York City's Middle Collegiate Church

Bijlage I


Overzicht predikanten van de Hervormde Kerk in Nieuw-Nederland van de

(periode 1624- ± 1700, voorzover bekend)

baam predikant of ziekentrooster* geleefd gemeente periode van tot
Bastiaen Jansz. Krol * 1595-1645 Nieuw-Amsterdam 1624-1626
Jonas Michaëlius 1577-minstens tot 1638 Nieuw-Amsterdam 1628-1632
Everhardus Bogardus 1607-1647 Nieuw-Amsterdam 1633-1747
Johannes Corn.Backerus   Nieuw-Amsterdam 1647-1649
Johannes Megapolensis 1603-1669 of 1670 Nieuw-Amsterdam 1649-1670
Samuel Drisius -1673 2e predikant inNieuw-Amsterdam 1652-1669
Henricus Selijns 1632-1701 Nieuw-Amsterdam 2e periode aldaar 1670-1674
1682-1701
Brant Peelen van der Niekerk *   Rensselaerswijck ** 1632-1634
Jacob Albertsz. Planck   Rensselaerswijck 1634-1638
Johannes Megapolensis 1603-1669 of 1670 Rensselaerswijck daarna Nieuw-Amsterdam 1642-1647
Wilhelmus Grasmeer   Rensselaerswijck 1650-1651
Gideon Schaets 1608-1694 Rensselaerswijck/FortOranje/Beverwijck 1652-1694
Godefridus Dallius   Resselaerswijck/FortOranje/Beverwijck 1683-
Johannes Theod. Polhemius   Lange Eiland/Midwout, Amersfoort en tot 1660 ook Breukelen 1656-1676
Henricus Selijns 1632-1701 LangeEiland /Breukelen en tevens op de Bouwerij in Nieuw-Amsterdam. Later alleen in Nieuw-Amsterdam werkzaam. 1660-1664
Andries van de Sluijs *   Esopus/Wiltwyck *** 1658-1660
Hermanus Blom -1682 Esopus/Wiltwyck 1660-1668
Evert Pieterse *   Nieuwer-Amstel **** 2e periode 1656-1679
1659-1661
Everardus Welius -1659 Nieuwer-Amstel 1657-1659

In 1664 was dominee Samuel Megapolensis, zoon van Johannes, ambulant voor geheel Nieuw-Nederland

* ziekentrooster

** het patroonschap Rensselaerswijck, ter grootte van de provincie Gelderland, werd in 1630 door Kilian van Rensselaer gesticht. Binnen dit gebied lag Fort Oranje, waar vroeger een klein Fort Nassau had gestaan, dat in 1623 werd gebouwd. Uit dit fort ontwikkelde zich de plaats Beverwyck, dat nu onderdeel uitmaakt van de stad Albany de hoofdstad van de staat New-York.

*** ± 150 km. ten noorden van Nieuw-Amsterdam aan de Hudson rivier. Pas vanaf 1657 wordt hier enig kerkelijk leven bekend. Tegenwoordig onderdeel van de stad Kingston.

**** in 1656 door de stad Amsterdam, nadat de grond gepacht werd van de WIC, gesticht aan de Delaware rivier ± 250 km. ten zuiden van het huidige Philadelphia.

Terug naar het begin van deze pagina