DE VESTIGING VAN PLOCKHOY AAN DE HOERENKIL

IDEALISME IN NIEUW-NEDERLAND.

 

Erika Klap

 

Op zoek naar de bronnen

 

Bij het doorkijken van de bibliografie in het boek van Jaap Jacobs over Nieuw-Nederland stuitte ik op het boek van Leland en Marvin Harder, Plockhoy from Zurik-zee. Mijn belangstelling was gelijk gewekt omdat dit mijn geboortestad is, maar ik nog nooit van deze man gehoord had. Pieter Cornelisz Plockhoy (±1620-±1700) was een idealist die onder andere in contact heeft gestaan met Oliver Cromwell, staatshoofd van Engeland in 1653-1658. Plockhoy wilde een samenleving waarin iedere christelijke stroming zonder problemen zijn eigen opvattingen mocht hebben en waarin universele tolerantie voorop stond. In deze samenleving zou al het werk voor het gemeenschappelijk goed zijn en de overheid zou tot taak hebben deze samenleving te beschermen, zonder zich te bemoeien met kerkelijke zaken. Toen Cromwell stierf keerde Plockhoy onverrichterzake terug naar Nederland. Hij legde vervolgens zijn ideeën voor  aan het Amsterdamse stadsbestuur, dat nog kolonisten zocht voor de stadskolonie in Nieuw-Nederland. In 1663 vertrok Plockhoy met een aantal kolonisten naar het zuiden van Nieuw-Nederland, waar ze zich vestigden. Lang heeft het avontuur echter niet mogen duren: in 1664 werd de vestiging door de Engelsen met de grond gelijk gemaakt.

 

Bij het zoeken naar literatuur over Plockhoy stuitte ik op verschillende problemen. Mijn uitgangspunt was het boek Plockhoy from Zurik-zee,  geschreven door Leland en Marvin Harder in 1952. Het boek behoort tot een Mennonitische serieuitgave. Dit betekent dat de schrijvers vanuit een ideologisch standpunt hebben geschreven dat overeenkomt met dat van Plockhoy zelf. Het is daarom wel eens nodig kritisch te zijn als Plockhoy en zijn daden nogal positief uit de bus komen. Omdat dit boek gedateerd is, was het moeilijk om aan de hand daarvan op zoek te gaan naar andere (recentere) literatuur. Jean Seguy, een sociaal historicus, bracht in 1968 Utopie cooperative et œcumenisme. Pieter Cornelisz Plockhoy van Zurik-zee 1620-1700 uit. In dit boek (geschreven in het Frans) werd vooral op de ideologische denkbeelden van Plockhoy ingegaan. Maar mijn belangstelling ging uit naar de vestiging van Plockhoy te Swanendael in Nieuw-Nederland die al zo snel weer tegen de grond geslagen was. Het ging mij vooral om het aantal kolonisten, de opbouw van de vestiging en de daadwerkelijke gang van zaken binnen zo’n kolonie in Nieuw-Nederland. Maar hier was weinig of niets over te vinden. De boeken die geschreven zijn over Plockhoy gaan vooral over zijn ideologieën, en zijn vestiging in het Swanendael wordt slechts zijdelings genoemd. Er moest dus gezocht worden bij onderwerpen die de zaak van Plockhoy raakten, zoals artikelen over Nederlanders in Amerika en vestigingen in de Delaware vallei. Maar ook hier werd de vestiging van Plockhoy slechts zijdelings genoemd. Primaire bronnen  waarin Plockhoy genoemd wordt zijn schaars: een enkele keer wordt hij genoemd in de Amsterdamse stadsarchieven met betrekking tot zijn aanvraag voor het stichten van een kolonie in Nieuw-Nederland. Vanaf het moment dat Plockhoy en zijn aanhangers in Nieuw-Nederland aankwamen  tot aan het bericht dat de vestiging verwoest was, is er voor zover we weten niets van hen vernomen. De kennis die we hebben van de vestiging te Swanendael is daarom nihil.

Wel bestaan er geschriften van Plockhoy die zijn ideeën  verwoorden: twee hiervan gericht aan het Engelse bestuur en twee gericht aan het Amsterdamse stadsbestuur: Kort en klaer ontwerp en Kort verhael. Deze werken roepen de vraag op hoe Plockhoy ooit met het stadsbestuur tot een contract is gekomen; de partijen hadden namelijk zeer uiteenlopende doelen voor ogen. Wat de precieze doelen waren van het stadsbestuur wilde ik achterhalen door de fundamentele voorwaarden voor kolonisten - gepubliceerd in 1656- te bekijken. Deze waren echter niet te vinden in het Amsterdamse gemeentearchief, zodat ik was aangewezen op eigen interpretatie van het commentaar van Amsterdam opgetekend in de kantlijn van de documenten.

 

Er moest dus geroeid worden met de riemen die ik had, en zo is de volgende vraagstelling ontstaan: wat was de weg die Plockhoy bewandelde voor het vestigen van zijn kolonie in Nieuw-Nederland en wat was hierin de rol van de overheid? Dit laatste omdat de meningen over een goede vestiging verschilden. De geschriften van Plockhoy zullen hierop nageslagen worden en er zal gekeken worden naar de houding van de overheid ten opzichte van andere kolonisten om een vergelijking te kunnen maken.

 

 

De Delaware-baai in de beginperiode

 

Tijdens zijn reis langs de kust van Nieuw-Nederland in dienst van de Oost Indische Compagnie ontdekte Henry Hudson in 1609 een baai ten zuiden van het latere Nieuw-Neder­land die later de Delaware Baai werd genoemd. In de loop der jaren werden door Hollanders meerdere tochten in die richting gemaakt en werd het Fort Nassau opgericht. De ontdekkingstochten die in deze periode ondernomen werden, waren ech­ter niet op kolonisatie gericht: Hollanders waren vooral gericht op han­del.[1] Met de oprichting van de West Indi­sche Compag­nie in 1621 namen de Staten van Holland steeds meer de touwtjes in handen.

 

Met het invoeren  van de 'Vry­heden ende Exemptiën' op 7 juni 1629 werd het patroonschapssysteem ingevoerd. Patroons waren participan­ten van de WIC die een kolonie wilden stichten in Nieuw Neder­land. Zij mochten hun kolonie zelf be­sturen en daar rechtspreken.    Samuel Godijn claimde ­samen met Samuel Blommaert in 1631 land ten zuidwesten van de baai van de Zuidrivier[2]. Een jaar later werd deze kolonie verwoest door de India­nen. Zodoende werd Swanendael in 1634 terugverkocht aan de WIC.[3] In deze jaren voeren wel verschillende schepen met kolonisten en vee naar het zuiden van Nieuw Nederland[4]. In 1633 werd een extra handels­post opgericht en de bonthandel nam steeds meer in belang toe.

 

Onder leiding van ex-participanten in de WIC (Willem Usselincx, Blommart en Peter Minuit) kwam de Zweedse handelscompagnie naar de Zuidrivier en vestigde daar een eigen kolonie. Vooral vanaf 1642 breidden de Zweden hun invloed uit over de omge­ving. Pas toen Peter Stuyvesant directeur generaal werd van Nieuw-Nederland, werden er tegenmaatregelen genomen. Dit leidde tot confrontaties en uiteindelijk de capitulatie van Nieuw-Zweden.[5] Deze jaren van Zweedse kolonisatie hadden er wel voor gezorgd dat de bevolking aan de Delaware gemengd was samengesteld: er waren Zweden, Finnen en Engelsen. Dit kwam ook door het soepele beleid met betrek­king tot godsdienstbeoefening voor niet-calvinisten.[6]

 

Het gebied moest ook be­volkt worden met mensen die ver­bonden waren met Holland. De stad Amsterdam zag wel voordelen in een eigen stadskolonie en nam de taak op zich de kolonie aan de Zuidrivier te bevolken. Ze zou zo minder afhankelijk worden van invoer vanuit de Oostzee[7], waar de handel werd bemoeilijkt door problemen met Polen. De kolonie zou zelf graan kunnen produceren en hout en bont uitvoe­ren. Verder was de stadskolonie een afzetgebied van producten uit Amsterdam die ze zelf niet kon produceren.

 

Nieuwer-Amstel

Een commissie aangesteld door de vroedschap van Amsterdam stelde in 1656 een provisioneel plan op voor een stadskolonie aan de Zuidrivier. Hierin stond opge­tekend hoe bestuur en rechtspraak vorm moesten worden gege­ven. Uiteindelijk zou de stad zelfs een vroedschap krijgen.[8] Zover is het echter nooit gekomen.

 

In december 1656 vertrok de 'Prins Maurits' met 129 man (kolonisten, directeur en soldaten) naar Nieuw Nederland en na een moeilijke reis kwam men op 25 april 1657 aan. Van te voren was al bepaald dat deze kolonie Nieuwer-Amstel zou heten (het huidige New Castle)[9]. De opbouw kwam echter niet goed van de grond. De stad Amsterdam was niet erg selectief geweest in de keuze van de kolonisten. Vooral miste men bekwame land­bouwers. Dit betekende dat er geteerd moest worden op goe­deren uit Nederland en dat er weinig zelf verbouwd werd. Door ziekte stierven in 1658 al honderd kolo­nisten. Mis­oogst, zware regenval en op­treden van Engelsen ver­ergerden de situa­tie[10]. Omstreeks 1660 was Nieu­wer-Amstel bij­na geru­ïneerd. Maar met de komst van Alexander d'Hinojossa als direc­teur van Nieuwer-Amstel veranderde de situatie.

 

Toen Amsterdam zag hoe slecht het ging met de kolonie wilde de stad Nieuwer-Amstel terugverkopen aan de West Indische Compagnie of meer rechten. Alleen als Amsterdam meer invloed kreeg in het be­stuur van de kolonie en als het gebied uit mocht worden gebreid wilde de stad doorgaan.[11] De Compagnie gaf toe aan de Amsterdamse eisen, wat leidde tot nieuwe investeringen van de kant van Amsterdam en het sturen van nieuwe kolonisten. De overtocht werd voor hen betaald en voor het eerste jaar van hun ver­blijf in de kolonie werden ze voorzien van voedsel en materiaal. Met de groei van de bevol­king nam de invloed van de WIC af en moch­ten schepen van­uit de Republiek gelijk door naar de Zuidrivier waar Nieu­wer-Amstel lag; ze hoefden dus niet eerst langs Nieuw-Amsterdam. Rond 1664 had de stadskolo­nie ongeveer zeshon­derd inwo­ners.

 

Pieter Cornelisz. Plockhoy

 

Van Pieter Plockhoy zijn eigenlijk al­leen zijn denkbeelden bekend. We weten niet precies wanneer hij geboren is, en ook niet wanneer hij is gestorven. Waarschijnlijk heeft hij van 1620 tot 1700 geleefd. Hij groeide tijdens een culturele bloeipe­riode van Nederland op te Zierikzee, een welvarende handelsstad in Zeeland. Waarschijnlijk is hij opgegroeid met Galenus Abrahamsz de Haan, de zoon van de voorganger van de Mennonitische gemeente in deze stad. Of Plockhoy zelf is opgevoed in de Men­nonitische kerk weten we niet.[12] Beiden trokken naar Amsterdam en sloten zich aan bij de collegianten. Deze streefden naar absolute tole­rantie, vrijheid van denken en de autoriteit van de rede. Geïnteresseerden waren  predikantskandidaten uit verschillende stromingen: Remonstranten, Hervormden, Mennonieten en anderen. De vrijheid van discussie stond hier centraal en men benadrukte tolerantie voor verschillende ideeën.[13]

 

In Amsterdam was Plockhoy lid van het dichtersge­nootschap Par­nassus aan 't Y, waar ook Jacob Steendam en Karel Verloove (die later een bijdra­ge zouden leveren in de publica­tie van Plock­hoy's ideeën door middel van liederen) toe behoor­den. Hier werden ideeën uitgewisseld hoe het Christendom nieuw leven ingeblazen kon worden. Deze ideeën heeft Plockhoy uitge­werkt in zijn brieven aan Cromwell.

 

 

Contacten in Engeland

Met de Puriteinse Revolutie in 1649 werd de Engelse monarchie in 1649 ver­vangen door een 'commonwealth', een republikeinse be­stuursvorm onder leiding van Oliver Crom­well. Op religieus vlak streefde hij tolerantie na: iedere christen (behalve de rooms-katholieke) had het recht zijn eigen geloof uit te oefenen.[14] Verschillende protestantse stromingen stonden onder bescherming van de staat.

 

Plockhoy was zeer geïnteresseerd in de vrijheid die Cromwell bood voor nieuwe stromingen en trok rond 1657 naar Londen[15]. Hier schreef hij twee brieven aan Cromwell waarin hij zijn ideeën naar voren bracht. Hij prees de huidige tolerantie in Engeland, maar veroordeelde het feit dat alle stromingen gescheiden waren. Hij wilde

'That so all Christendome, being divided into divers Sects (as formerly the Jews were) a generall way of Churchmeeting may be instituted, for the hearing of Gods word read unaltered and unsophisticated, leaving freedom for all sects­.'[16]

Cromwell stierf en daarmee verdween een luisterend oor voor Plockhoy's ideeën. Hij schreef hierna brieven aan Richard Cromwell (de zoon van Oliver Cromwell) en het parlement waarin hij pleitte voor het uitvoeren van zijn plannen in het belang van de Engelse staat, maar zonder succes. Hierna bracht hij een nieuw geschrift uit: 'A way propoun­ded to make the poor in these and other Nations happy, by brin­ging together a fit, sutable and well-qualified people into one household-government,(..)'[17], een opzet voor de ideale sa­men­leving. Het juk van de huidige overheid en geestelijkheid moest afge­schud worden, zodat men alleen nog maar onder de autoriteit van Christus stond. Niemand had dienaren en ieder was de dienaar van een ander. Zes uur per dag moest er gewerkt worden in dienst van de gemeenschap, zes dagen in de week. Kinderen zouden on­derwezen worden en hoefden maar drie uur per dag te werken. Plockhoy was echter ook prak­tisch ingesteld: er moest geld ingelegd worden om een kapitaal op te bou­wen waarmee gewerkt kon worden. Men was niet verplicht zijn goederen af te staan, en als men wilde vertrekken had men recht op het aandeel wat ingelegd was plus mogelijke winst.

 

Hij streefde dus zijn collegiantische denkbeelden na. De over­heid mocht geen enke­le stroming bevoordelen. Kerk en staat moesten gescheiden blijven. In geen geval mocht de eer naar personen gaan, zoals bijvoorbeeld naar de Paus of Luther en Calvijn. Plock­hoy wilde terugkeren naar een gemeenschap waarin de Bijbel en Christus als enige autori­teit golden en waar ethische en religieuze aspecten de materiële overheersten. Hij wilde één kerk met daarin een ruime mate van tolerantie en sociale gelijkheid. Hij stelde daarom Crom­well voor in iedere stad een algemene christe­lijke vergaderplaats te plaatsen waar de Schrift uitgelegd zou worden en iedereen zou kunnen deelnemen aan discussie.[18] Het was de taak van de over­heid tegen de antichrist te strijden en het christendom te bescher­men. Met deze denkbeelden vormde Plockhoy eigenlijk geen uitzondering in zijn tijd. Zijn ideeën leken op die van de linkse Puriteinen in Engeland. Ook zij stonden religieuze tolerantie voor en wilden een scheiding van kerk en staat.[19] Ook vertonen de denkbeelden van Plockhoy een overeenkomst met die van de Mennonieten met betrekking tot de plaats van de christenen  binnen de samenleving.[20] Hij was dus zeker niet de enige met dit soort ideeën. Jean Seguy plaatst hem in een traditie van utopistische denkbeelden waaruit ook onder andere Karl Marx zou hebben geput, al was hij wel te religieus om een voorloper van Marx te kunnen worden genoemd.[21] Plockhoy’s vestiging was namelijk gebaseerd op volledig christelijke grondslagen.

 

 

Terug in Nederland

 

Cromwell stierf en in Engeland scheen er vervolgens geen interesse te zijn in de denkbeelden van Plockhoy. Eind 1661 was hij weer terug in Nederland. Hij had lucht gekregen van de vraag naar kolonisten voor de stadskolonie van Amsterdam te Nieuw-Nederland. Hij zag hierin een mogelijkheid een samenleving op te richten ver van de bewoonde wereld waarin hij zijn ideeën volledig kon verwezenlijken. Met dit doel wendde hij zich tot het Amsterdamse stadsbestuur. Voordat er  eindelijk een contract op tafel lag, moesten er duidelijke afspraken worden gemaakt. Plockhoy wilde een idealistische samenleving, terwijl het Amsterdam ten eerste ging om commercieel gewin en bepaald niet op Plockhoy’s egalitaire idealen zat te wachten. Het bestuur van Nieuw-Nederland nam juist een afwijzende houding aan ten opzichte van sektes, zoals blijkt uit de verhoudingen met de quakers. Zij werden beschouwd als een bedreiging voor de gevestigde orde, omdat ze het aardse gezag afwezen.[22] Na verloop van tijd versoepelde de houding van de overheid, omdat men zag dat een agressieve houding de rust binnen de kolonie niet ten goede kwam. Vanuit Nederland beval men de autoriteiten in de kolonie dissidenten oogluikend toe te staan, zoals in de Republiek op sommige plaatsen gebruikelijk was. Het was  wel zaak om deze mensen in de gaten te houden en men wilde ook in het geval van Plockhoy weten waar men aan toe was.

 

Het stadsbestuur van Amsterdam ontving in 1662 twee werken waarin gepleit werd voor een nederzetting op egalitaire grondslagen. Het eerste bevatte een verzameling van zeven brieven: Kort verhael van Nieuw Nederlants gelegentheit, (…). Dit werk staat ook op deze site. Het is echter onbekend wie hiervan de schrijver was. In 1868 veegde Asher als eerste de stelling van tafel dat Plockhoy de schrijver zou zijn in in A bibliographical and historical essay on the dutch books and pamphlets relating to New Netherland. De Harders wisten echter in hun boek de argumenten van Asher stuk voor stuk te ontwrichten.[23] Maar in 1991 wordt door Willem Klever een boek uitgegeven waarin hij aantoont dat Francis van den Enden de schrijver van dit geschrift is. Andere werken van de hand van Van den Enden zijn namelijk ondertekend met de afkorting HMVZ, dezelfde afkorting waarmee Kort verhael ondertekend is. Zijn voorstel voor een kolonie aan de Zuidrivier zou zijn afgewezen op grond van zijn antiklerikale ideeën. Meer gegevens over Van den Enden staan in het broncommentaar bij het Kort verhael op deze site. Het is wel opvallend dat het gedachtegoed dat in Kort verhael naar voren komt sterk overeenkomt met dat in het tweede werk geschreven aan het Amsterdamse stadsbestuur. Dit was een uitgave van het contract van Plockhoy met het Amsterdamse stadsbestuur met daarbij gevoegd enkele gedichten met betrekking tot Nieuw- Nederland: Kort en klaer ontwerp, dienende tot een onderlingh accoort voor eenige coloniers willende na de Suyt-revier in Nieuw-Nederland. Het gaat om precies dezelfde locatie ‘… bij en omtrent de Hoerekil.’. Zelfs het aantal voorgeschreven werkuren komt overeen met die van Plockhoy, en in beide geschriften wordt gepleit voor sociale gelijkheid binnen de kolonie. Nog  een overeenkomst kan worden gevonden in de datering van de brieven. Want in de laatste brief (gedateerd 25 mei 1662) van het Kort verhael werd gevraagd of iemand zich in de pinkstervakantie zou willen buigen over deze zaak, en het Kort en klaer ontwerp was op 6 juni 1662 (dus rond Pinksteren) uitgebracht. Het is wel erg toevallig dat er twee aanvragen voor een idealistische samenleving voor dezelfde locatie rond dezelfde tijd zijn ingediend.  Toch vindt men in het Kort verhael  een andere stijl dan binnen de andere geschriften van Plockhoy: juridische zaken werden geregeld en de kolonie is minder religieus dan men zou verwachten van Plockhoy. Omdat echter de rol van de overheid met betrekking tot een idealistische kolonie in het Kort verhael  onderwerp van gesprek was en die in beide gevallen hetzelfde zal zijn, wil ik ook het Kort verhael opnemen in deze bespreking.

 

De eerste brief in het Kort verhael[24] was geschreven op 22 november 1661 en gericht aan de magistraten van Amsterdam. De schrijver van het Kort verhael gaf aan dat hij in dienst stond van zijn ‘principalen’, enkele families die zich wensten te vestigen aan de Zuidrivier te Nieuw-Nederland. Er werd gevraagd naar een tegemoetkoming in de kosten van de reis en de eerste benodigdheden.  Maar men wilde op justitieel en bestuurlijk gebied zo zelfstandig mogelijk zijn. In reactie op een brief van het Amsterdamse stadsbestuur werd in de volgende brief (20 december 1661) de invloed van de seculiere overheid vastgelegd. Met betrekking tot crimineel recht mocht de kolonie het zelf regelen en ook het civiele recht mocht men onderling regelen als het simpele zaken betrof. Bij grotere zaken moest de hulp ingeroepen worden van patronen. Er werd gevraagd om vrijstelling van belasting voor in ieder geval de eerste dertig jaar. Uit de derde brief bleek dat er achterdocht heerste binnen het stadsbestuur. Daarom zou men proberen zoveel mogelijk vast te leggen, zodat er geen onduidelijkheid kon ontstaan. Toezicht van de Nieuwer-Amstelse schout was niet nodig, daar de kolonisten de kolonie zoveel mogelijk wilden vormen naar hun eigen maatstaven. Men pleitte voor in ieder geval de eerste vijf jaar volledige vrijheid, daarna mocht de schout wel komen inspecteren. Amsterdam behoefde zich ook niet bedreigd te voelen voor het mogelijk verstoren van het gezag, want de richtlijnen zouden uitsluitend gelden voor de vestiging. In de vierde brief werden 117 artikelen gegeven waarnaar de families zouden willen leven, aan de hand waarvan een mogelijk contract zou kunnen worden samengesteld.

 

In de kantlijn van deze artikelen staan aantekeningen gemaakt door het stadsbestuur. Alle besluiten die genomen werden binnen de samenleving stonden open voor correctie van de overheid.  Het stadsbestuur was het hier mee eens, mits deze besluiten de Nederlandse wet niet tegenspraken. De kolonie zelf stond niet open voor alle mensen: onder andere quakers en puriteinen mochten niet mee. Dit wijst de mogelijkheid van Plockhoy als auteur weer af, daar zijn ideeën veel weg hadden van deze twee denkrichtingen. Het stadsbestuur zette zijn vraagtekens bij vergaderingen met betrekking tot dagelijkse zaken op zondag en de mogelijkheid voor de vrouw om van een zondig man te scheiden. Wilde men mensen uit de kolonie zetten, dan moest men zich ook eerst tot de schout wenden. Met kleine twistzaken wilde het stadsbestuur zich verder niet bemoeien, omdat dit veel te veel tijd zou innemen. Men moest oppassen met het verstrekken van privileges aan de kolonie: dit moest altijd een zaak van de burgemeesters blijven. Uit de brieven valt ook op te maken dat men verschillende gesprekken moet hebben gehad met het bestuur aangaande de kolonie. Met het indienen van de aanvraag kreeg men te maken met drie organen: het comité moest de bestuursvorm van de kolonie goedkeuren, de raadsleden moesten een geldlening verstrekken en de burgemeesters moesten het contract voltooien.[25] Aan hen waren ook de laatste twee brieven gericht die nog een korte samenvatting waren van de voorgaande brieven en nog even de puntjes op de ‘i’ zetten.

 

Het contract met het Amsterdamse stadsbestuur

 

Op 6 juni 1662 werd het Kort en klaer ontwerp uitgegeven, als een prospectus rond het contract van Plockhoy. Het werd ingeleid door Wigbold Slichter, namens de burgemeesters en regeerders van de stad Amsterdam. Dan volgen enkele gedichten en het contract zelf. Het wordt afgesloten met afspraken met betrekking tot tijd en plaats voor het vertrek van de toekomstige kolonisten.

In het voorwoord van Slichter ziet men al dat (alhoewel Plockhoy veel vrijheid kreeg) het stadsbestuur toch nog een slag rond de arm hield: de kolonisten mochten altijd een beroep doen op de magistraat aldaar of in Nederland. De belastingvrije periode was beperkt tot twintig jaar en de kolonisten moesten hun overtocht wel terugbetalen aan de stad. Uit het contract zelf blijkt waarom Plockhoy toch graag uit naam van Amsterdam vertrok: hun eerste onkosten werden vergoed en men stond onder bescherming van de stad. Wat betreft bestuur en belasting wilde hij zo zelfstandig mogelijk zijn; de kolonie was ver verwijderd van de bewoonde wereld.  Dit was trouwens een algemene tendens in Nieuw-Nederland: door de afname van de rol van de West Indische Compagnie nam ook de centraliteit af. Nieuwer-Amstel werd belangrijker: in de jaren zestig mochten schepen vanuit de Republiek gelijk doorvaren naar deze stadskolonie. Het bestuur in Nieuw-Amsterdam was echter niet zo blij met deze decentralisering. De vestigingen bleven eraan herinnerd dat de directeur-generaal en de raden de hoogste overheid waren in Nieuw-Nederland.[26] Daarom moesten natuurlijk de regels van Plockhoy’s vestiging wel overeenstemmen met fundamentele voorwaarden gepubliceerd door Amsterdam in 1656. Verder moest de rechtspraak gestoeld zijn op die in de Republiek.[27] Plockhoy probeerde echter zoveel mogelijk problemen te vermijden door locale jurisdictie voor locale zaken te verkrijgen en door enkele honderden kilometers van het centrale bestuur te gaan zitten. Zijn kolonisten moesten verschillende beroepen hebben, zodat ze zo zelfstandig mogelijk konden leven. Plockhoy was praktisch ingesteld; hoewel zijn vestiging niet op commerciële maar op humanitaire basis was gegrondvest, toonde hij een economisch bewustzijn: ook buitenstaanders konden aandelen nemen in de vestiging. Dus met betrekking tot dagelijkse activiteiten paste hij zich wel aan de samenleving aan, maar de geest van de toenmalige samenleving wees hij af: hij streefde naar een gemeenschap waarbinnen universele tolerantie heerste. Daarom was het ook nodig dat magistraten zich niet te veel bemoeiden met zijn kolonie; magistraten moesten onpartijdig blijven. Het was hun taak hun onderdanen te beschermen zonder verder enige invloed uit te oefenen op geloofszaken.

 

 

De reis naar Nieuw-Nederland

 

In het nawoord van het Kort en klaer ontwerp stond aangegeven dat Plockhoy en zijn kolonisten zich zouden inschepen in september 1662. Er schenen zich echter enkele problemen te hebben voorgedaan voordat ze konden vertrekken.[28] Eerst moest nog een goed toepasbare bestuursvorm geconstrueerd worden en daarnaast wilde hij nog kolonisten werven om aan honderd man te komen. De meningen verschillen over het moment van vertrek. Harder en Dejong[29] zijn het er over eens dat Plockhoy met 24 families kort na 5 mei 1663 vertrok op de Sint Jacob. Harder haalt hiervoor het scheepsverslag aan van het schip waarin Plockhoy genoemd wordt. Wabeke beweert echter dat Plockhoy zich al in eind 1662 aan de Hoerenkil vestigde en dat de 41 kolonisten aan boord van de Sint Jacob een aanvulling waren. Hij geeft echter niet aan waar hij deze feiten vandaan haalt en het is daarom het waarschijnlijkste dat Plockhoy met 41 kolonisten op 28 juli 1663 in Nieuwer-Amstel aankwam.

 

Wie deze kolonisten waren is onbekend. In Amsterdamse stukken werd gesproken over 24 mennonitische families.[30] Je kunt je alleen afvragen of dit geen generalisatie is en er eigenlijk mensen zaten  uit verschillende groeperingen (we weten niet eens waartoe Plockhoy behoorde) en ten tweede weten we niet of er na de vaststelling van het contract nog mensen bij zijn gekomen. Want volgens Hart is er sprake van een totaal van 41 personen die zich met Plockhoy in Nieuw-Nederland vestigden.[31] Maar er bestaat geen lijst van namen en er is ook geen correspondentie bekend waaruit zou kunnen blijken wie met Plockhoy mee waren gegaan. We kunnen wel afleiden dat er mensen meegingen die niet mennoniet waren; in het contract met het stadsbestuur werd afgesproken dat men niet verplicht was mee te vechten in geval van oorlog als men hier uit overtuiging tegen was. En dit was het geval bij mennonieten. Maar er waren wel mensen die wel wilden vechten: niet-mennonieten.

 

 

Een vestiging van korte duur

 

De kolonisten zouden zijn afgezet bij de Hoerenkil, waar vroeger het patroonschap Swanendael gevestigd was.  We weten niet of daar meer mensen woonden, het was in ieder geval een eind verwijderd van Nieuwer-Amstel. Nadat de kolonisten daar waren achtergelaten door het schip, is er niets meer van hen vernomen. Volgens Harder heeft het Amsterdamse stadsbestuur nog een brief ontvangen van een kolonist aangaande land dat gekocht werd van de indianen. Maar als de namen van Plockhoy’s kolonisten onbekend zijn, hoe kunnen we dan weten of deze man bij Plockhoy hoorde? Hoe de vestiging is opgebouwd is dus onbekend. We weten wel dat de omgeving van de Zuidrivier heel vruchtbaar moet zijn geweest en er veel wild moet hebben geleefd. Maar we weten ook dat bijvoorbeeld Nieuwer-Amstel nog altijd afhankelijk bleef van import vanuit de Republiek. Er zullen dus wel eens reizen naar Nieuwer-Amstel moeten hebben plaats gevonden vanuit de kolonie om te voorzien in de behoeften.

 

Wat de houding is geweest van Nieuwer-Amstel ten opzichte van deze idealistische kolonie valt alleen maar te raden. We weten dat religieuze dissidenten werden getolereerd om de rust te behouden[32], maar dat ze zeker niet positief werden bejegend: quakers werden geminacht en alleen de gereformeerde kerk mocht in het openbaar haar godsdienst beoefenen.[33] Omdat de kolonie zo ver weg lag, zullen zich nauwelijks problemen hebben voorgedaan. Helemaal veilig zal de kolonie aan de Hoerenkil niet zijn geweest: er waren al spanningen tussen kolonisten en indianen en ook de dreiging van Engelse zijde nam toe. Erg lang heeft de kolonie dan ook niet mogen bestaan.  Terwijl Nieuw-Amsterdam zich zonder gevecht aan de Engelsen had overgegeven en zo slachtoffers wist te voorkomen, wilde de directeur-generaal van Nieuwer-Amstel, Alexander d’Hinoyossa, niet wijken. Dit leidde ertoe dat in de herfst van 1664 de Engelse legerofficier Sir Robert Carr harde maatregelen nam (tegen zijn instructies geweld te vermijden in). Nieuwer-Amstel en de omliggende vestigingen werden geplunderd en de mensen gevangen genomen. Ook de vestiging van Plockhoy kon niet worden gered:

(…) even the inoffensive Mennonists – though thoroughly non-combatant from principle – did not escape the sack and plunder to which the whole river was subjected by Carr and his commarauders. A boat was dispatched to their settlement, which was stripped of everything, ‘to a very naile’.[34]


Herdenkingsplaat geplaatst in sptember 1913 door W.E. Griffis in naam van de Netherlands Society of Philadelphia in het stadhuis van Zierikzee.

Stuyvesant wist hierna nog te melden dat de kolonisten waarschijnlijk als slaven zouden zijn getransporteerd naar Virginia. Er is verder niets van hen vernomen. Plockhoy zelf kwam enkele jaren later in de Engelse stad Lewes, waar hij in 1682 Engels staatsburger werd.[35] Tien jaar later arriveerde hij oud en blind in Germantown, een mennonitische vestiging, samen met zijn vrouw. De laatste keer dat zijn naam genoemd werd was in 1700. Een sterfdatum is niet bekend.

 

 

Conclusie

 

Plockhoy is met zijn ideeën een man van zijn tijd. Maar hij vertegenwoordigde zeker geen meerderheid. Zijn denkbeelden verschilden nogal met die van het Amsterdamse stadsbestuur. Dat wilde een stadskolonie die voor hen geld in het laatje zou brengen, maar omdat er meer kolonisten nodig waren om de kolonie te bevolken moesten ze hun eisen versoepelen. De vestiging van Plockhoy zou voor hen geen economisch gewin brengen, maar wel de benodigde kolonisten. Zo begonnen de onderhandelingen.  De wens van Plockhoy voor zoveel mogelijk zelfstandigheid op het gebied van locale jurisdictie kon tot op zekere hoogte worden vervuld, daar er binnen de kolonie toch al een zekere decentralisatie te bemerken viel. Daarbij was Swanendael zo ver afgelegen van Nieuw-Amsterdam dat het voor het Nieuw-Nederlandse bestuur nauwelijks mogelijk was zich veel  met de vestiging te bemoeien. De vestiging viel wat betrof belangrijke zaken wel onder de jurisdictie van de schout van Nieuwer-Amstel, en deze mocht ook komen inspecteren. Plockhoy zei open te staan voor correcties van de kant van het stadsbestuur op regels binnen de vestiging. Het Amsterdamse stadsbestuur wilde wel overzicht houden en erkent worden als de hoogste autoriteit. Zolang de openbare orde niet verstoord werd of hun macht niet ondermijnd werd had Plockhoy redelijk wat vrijheid. De regels van zijn vestiging moesten wel overeenstemmen met de door Amsterdam gepubliceerde voorwaarden.  Het stadsbestuur hield een slag om de arm: ontevreden kolonisten konden zich altijd tot de magistraten aldaar of in Holland richten. De eis van Plockhoy voor in ieder geval dertig jaar belastingvrijheid werd ingekort tot twintig jaar. Maar niet dat dit veel uitmaakte: twee jaar na de oprichting van de vesting was ze al met de grond gelijk gemaakt. De tolerantie van de overheid waar Plockhoy naar streefde, heerste dus in Nieuw-Nederland, al was dat op andere gronden dan hij wilde. De tolerantie die Plockhoy nastreefde moest gebaseerd zijn op vrijheid van meningsuiting, terwijl de tolerantie binnen Nieuw-Nederland er was om onrust te voorkomen die voor problemen zou kunnen zorgen.


 

Literatuurlijst

 

 

·        Dejong, Gerald F., The Dutch in America, 1609-1974 (Boston 1975)

·        Dillon, Clarissa F., ‘A survey of the Dutch in the Delaware Valley in the seventeenth century’. De halve maen. Magazine of the Dutch colonial period in America 56 (1981) 1-5, 25

·        Jacobs, Jaap, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1999)

·        Harder, Leland en Marvin, Plockhoy from Zurik-zee. The study of a Dutch reformer in puritan England and colonial America (Newton 1952)

·        Harder, Leland, ‘Plockhoy and his settlement at Zwaanendael, 1663’ The mennonite quarterly review 23 (1949) 186-199

·        Hart, Simon, ‘De stadskolonie Nieuwer-Amstel aan de Delaware-river in Noord-Amerika’. Maandblad Amstelodamum38 (1951), 89-94

·        Hart, Simon, ‘The city-colony of New Amstel on the Delware: II.’ De halve maen. Magazine of the Dutch colonial period in America 40-41 (1965)

·        Horst, Irvin B., ‘Pieter Cornelisz Plockhoy: an apostle of the collegiants’ The mennonite quarterly review 23 (1949) 161-185

·        McKay, John P., Bennett D. Hill en John Buckler, A history of western society. Volume B: From the Renaissance to 1815 (6e druk; Boston 1999)

·        O’Callaghan, E. B. en E. Bailey, The documentary history of the state of New York (Albany etc. 1850-1851)

·        History of New Netherland Volume 2 (New York 1848)

·        Plantenga, Bart,’Pieter Corneliszoon Plockhoy: het mysterie van de nederzetting Zwaanendael aan de Delaware (Noord-Amerika)’ Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen Duiveland) 25 (2000) 21-37

·        Seguy, Jean, Utopie cooperative et œcumenisme. Pieter Cornelisz Plockhoy van Zurik-zee 1620-1700 (Parijs 1968)

·        Wabeke, Bertus Harry, Dutch emigration to North America 1624-1860 (New York 1944)

·        Geschriften van Plockhoy allen uit de bijlage van Harder, Plockhoy from Zurikzee (Newton -1952) 108-252

·        The way to the peace and settlement of these nations fully discovered(…) (Londen 1659)

·        A way propounded to make the poor in these and other nations happy(…) (Londen 1659)

·        Kort en klaer ontwerp(…) (Amsterdam 1662)

·        Kort verhael(…) (Amsterdam 1662)

 



[1]...Clarissa F. Dillon, 'A survey of the Dutch in the Delaware Valley in the seventeenth century'. De halve maen. Magazine of the Dutch colonial period in America 56 (1981) 1

[2] Jaap Jacobs, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Leiden 1999) 121

[3]...Dillon, ‘A survey of the Dutch in the Delaware Valley’ 2

[4]...Jacobs, Een zegenrijk gewest 64

[5]...Gerald F. Dejong, The Dutch in America, 1609-1674. (Boston 1975) 20

[6]...Simon Hart, 'De stadskolonie Nieuwer-Amstel aan de Delaware River in Noord-Amerika', Amstelodamum. Maandblad voor de kennis van Amsterdam. Orgaan van het genootschap Amstelodamum. 38 (Amsterdam 1951) 93

[7]...Jacobs, Een zegenrijk gewest 129

[8]...Ibidem, 130

[9]...Hart, 'De stadskolonie Nieuwer-Amstel', 89

[10]...Ibidem, 91

[11]...Jacobs,Een zegenrijk gewest, 132

[12]...Leland Harder en Marvin Harder, Plockhoy from Zurick-zee. The study of a Durch reformer in Puritan England and colonial America(Kansan 1952) 11

[13]    Harder, Plockhoy from Zurik-zee, 15

[14]...McKay, John Buckler en B.P Hill, A history of western socie­ty. Volume B: From the renaissance to 1815 (zesde druk; Boston 1999) 552

[15]...De meesten noemen geen jaar waarin Plockhoy naar Engeland kan zijn gegaan, of ze zeggen 1658. Dit is echter onwaarschijn­lijk, omdat dat het sterfjaar van Cromwell was en Plockhoy nog met hem gecorrespondeerd heeft. Zijn eerste brief aan Cromwell was gedateerd de 24 juni. Het jaartal staat er echter niet bij.

[16]...Pieter Cornelisz Plockhoy, The way to the peace and settle­ment of these nations1659, opnieuw uitgegeven door L. en M. Har­der in Plockhoy from Zurik-zee(Newton 1952) 108-133, 114

22.Pieter Cornelisz Plockhoy, A way propounded to make the poor in these and other nations happy (Londen 1659), in L. en M. Harder, Plockhoy from Zurik-zee (Newton 1952) 134-173

[18]...The way to the peace and settlement, zie Harder blz 118

[19]    Harder, Plockhoy from Zurik-zee 92

[20]    Ibidem, 82

[21]    Jean Seguy, Utopie cooperative et oecumenisme. Pieter Cornelisz Plockhoy van Zurik-Zee 1620-1700  (Parijs 1968) 156

[22]    Jacobs, Een zegenrijk gewest, 261

[23]    Harder, Plockhoy from Zurik-zee, 207-208

[24]    Kort verhael van Nieuw-Nederlants Gelegentheit, Deughden, Natuerlijke Voorrechten, en byzondere quaemheidt ter bevolkingh: Mitsgaders eenige Requesten, Vertoogen, Deductien, enz. ten dien einden door eenige Liefhebbers ten verscheide tijden omtrent ’t laetst van ’t Jaer 1661. gepresenteert aen de A. A.Heeren BURGERMEESTEREN dezer Stede, of der zelver E. E. Heeren Gecommiteerde, enz. in: L. en M. Harder, Plockhoy from Zurik-zee (Newton 1952) 228-252

[25]   Harder, Plockhoy from Zurik-zee, 57

[26]   Jacobs, Een zegenrijk gewest, 155

[27]   Ibidem, 111

[28]   Harder, Plockhoy from Zurik-zee, 52

[29]   Gerald F. Dejong, The dutch in America, 1609-1974 (Boston 1975) 25

[30]   Harder, Plockhoy from Zurik-zee, 50

[31]   Simon Hart, ‘The city-colony of New Amstel on the Delaware: II’, De halve maen. Magazine of the Dutch colonial period in America 40-41 (1965) 7

[32]   Jacobs, Een zegenrijk gewest, 265

[33]   Ibidem, 254

[34]   O’Callaghan, The documentary history of New Netherland Volume 2 (New York 1848) 538

[35]   Harder, Plockhoy from Zurik-zee, 64