WALEN IN DE WILDERNIS

Bert van Steeg

                                                          

Inleiding

 

In de maand maart van het jaar 1624 vertrokken dertig Waalse families naar Nieuw-Nederland. De reis was gevaarlijk, maar dat weerhield de Walen er niet van het leven van hun vrouwen en kinderen op het spel te zetten. Zes jaar later keerden de families echter al weer terug naar de Republiek, arm en gedesillusioneerd. Wat was er in die jaren gebeurd? Hoe valt deze snelle terugkeer te verklaren?

 

Over de redenen van het vroegtijdige vertrek van de kolonisten uit Nieuw-Nederland zijn de meningen verdeeld. George Olin Zabriskie en Alice P. Kenney zeggen hierover in De Halve Maen: ‘The Walloons were likewise disappointed by the Company’s inability to establish them in a way that they had left’[1], hierbij doelend op de leefomstandigheden in de Republiek. Thomas J. Condon is een andere mening toegedaan. Volgens hem waren de eerste kolonisten nooit van plan geweest langer te blijven in Nieuw-Nederland dan de, door hun contract, voorgeschreven zes jaar.[2]

 

Om een nieuw licht te werpen op deze discussie zal ik proberen de volgende vraag te beantwoorden: ‘In hoeverre betekende de verplaatsing vanuit de eerste vestigingen naar Nieuw-Amsterdam een verslechtering in de leefomstandigheden van de eerste kolonisten?’

 

Met behulp van deze vraag wil een vergelijking trekken tussen het leven in verschillende kolonies waar de Walen na aankomst in Nieuw-Nederland gingen wonen en het leven in Nieuw-Amsterdam, dat werd gesticht in 1626. In dat jaar werden de kolonisten verplicht om in Nieuw-Amsterdam te gaan wonen. Hierbij hoop ik te kunnen laten zien dat het met name deze verplaatsing was die voor de Walen grote nadelen met zich meebracht.

 

Deze vraag is interessant omdat ze een ander inzicht kan geven in de discussie over het vroegtijdige vertrek van de eerste Waalse kolonisten. Ook kan een antwoord op deze vraag meer duidelijkheid geven over de verschillende leefomstandigheden waarin de Waalse kolonisten leefden. Om te begrijpen waarom de kolonisten vertrokken is het allereerst van belang om te weten wie zij waren en wat hun beweegredenen waren om naar Nieuw-Nederland te vertrekken. Als hier duidelijkheid over is, zal het leven van de kolonisten in hun eerste kolonies centraal staan. Om tot een vergelijking te kunnen komen tussen de verschillende woongebieden zullen ook de leefomstandigheden in Nieuw-Amsterdam aan bod komen. Met de vergelijking tussen de leefomstandigheden en de daarbij behorende conclusies zal dit essay eindigen.

 

 

De eerste kolonisten

 

De oprichting van de WIC in 1621 leidde een nieuwe periode in, in de geschiedenis van Nieuw-Nederland. Tot 1621 waren het vooral rijke Amsterdamse kooplieden, meestal gebundeld in een compagnie, die profijt probeerden te trekken uit de lucratieve bonthandel. Na de oprichting van de WIC kon hier geen sprake meer van zijn. De WIC kreeg het octrooi op de bonthandel over het gehele gebied van Nieuw-Nederland. Hoewel na 1621 nog een aantal koopmannen op eigen naam naar Nieuw-Nederland voeren, betekende de uitgifte van het octrooi dat het beleid ten aanzien van Nieuw-Nederland ingrijpend zou veranderen.

 

Juist die beleidsbepaling van de WIC ten aanzien van Nieuw-Nederland bleek een belangrijk strijdpunt. Over de te voeren strategie bestonden binnen de Kamer van Amsterdam, die belast was met het bestuur van Nieuw-Nederland, totaal verschillende opvattingen. Aan de ene kant stond de kolonisatiefactie, waarin Kiliaen van Rensselaer een belangrijke rol speelde. Deze factie zag in Nieuw-Nederland een belangrijke landbouwkolonie, waar gewassen verbouwd zouden kunnen worden ten behoeve van de Republiek. Aan de andere kant stond de handelsfactie, die niet te veel geld in Nieuw-Nederland wilde steken en door middel van de handel in beverhuiden snel winst wilde maken.[3]

 

In de eerste jaren waarin het octrooi voor Nieuw-Nederland van kracht was, lijkt de kolonisatiefactie de overhand te hebben gehad. Dit blijkt ook uit het sturen van de dertig Waalse families. Zij vertrokken in maart 1624 vanuit de Republiek naar de nieuwe kolonie aan boord van de Nieu Nederlandt onder leiding van Cornelis Jacobz. May.[4]

 

Deze Walen waren op de vlucht voor de Spaanse Inquisitie. In de Republiek waren zij voorlopig veilig. Het milde klimaat ten opzichte van groepen met een andere geloven maakte de Republiek een  ideaal vluchtoord voor politieke vluchtelingen. In de Republiek kregen ze weinig beperkingen opgelegd en werden ze in staat gesteld hun geloof redelijk vrij te beleven. In de Republiek werd het de Walen ook mogelijk gemaakt hun eigen kerk te stichten, getuige het bestaan van een Waalse kerk in Amsterdam.[5]

 

De groep Walen die in 1624 naar Nieuw-Nederland vertrok had waarschijnlijk onder leiding van Jesse de Forest al eerdere pogingen gedaan om naar de Nieuwe Wereld te vertrekken. Hij kwam oorspronkelijk uit Avesnes en had zich in 1615 gevestigd in Leiden. Daar was hij een linnenwever. In 1621 had hij zich al bij koning James I gemeld om zich met een groep te vestigen in Virginia. Dit gebeurde door middel van een petitie, aangeboden aan de Engelse ambassadeur in Nederland, die door 56 hoofden van de Waalse families werd ondertekend.[6] De aanvraag werd echter snel afgewezen. Door de slechte financiële positie waarin de Virginia Company in die jaren in verkeerde bleek het niet mogelijk aan de wensen van De Forest te voldoen.[7]

 

Na het afgeslagen verzoek door de Engelse koning richtte De Forest zich tot de Staten van Holland en West-Friesland. Ook legde hij een verzoek neer bij de Staten Generaal van de Republiek voor een overtocht naar de Nieuwe Wereld. In de Republiek kreeg De Forest in 1623 de mogelijkheid onder de vlag van de WIC met een aantal mannen uit de Waalse families de overtocht te wagen, zij het dat ze eerst naar Guyana werden gestuurd. De meesten kwamen in 1624 weer terug, maar De Forest bleef in Guyana. Hierna stierf  De Forest.[8]

 

De oversteek naar Guyana moet worden gezien als een experiment van de WIC. De stichting van een volksplanting overzee was erg kostbaar en de Compagnie was nog maar net opgericht en had derhalve geen ervaring met het stichten van kolonies. Het leek de WIC in dit geval dan ook beter om niet meteen hele gezinnen te sturen, maar alleen een aantal hoofden van de families.[9] De stichting van een kolonie in Guyana werd niet doorgezet, aangezien de mannen die terugkwamen het klimaat niet gezond achtten en omdat de voorwaarden voor vestiging niet gunstig genoeg waren.[10] 

 

Nu ging de WIC op zoek naar een andere plek in de Nieuwe Wereld om een volksplanting te stichten. In Nieuw-Nederland hadden de Walen meer vertrouwen. In januari 1924 vertrok waarschijnlijk een voorhoede met een aantal Waalse families op het schip Eendracht onder leiding van Adriaen Jorisz. Thienpoint, in maart volgden er nog dertig met de Nieu Nederlandt.[11]

 

Volgens Thomas J. Condon zijn deze eerste kolonisten nooit van plan geweest langer te blijven dan de door hun contract voorgeschreven jaren. Hij probeert in New York Beginnings aan te tonen dat Nieuw-Nederland in de eerste jaren nooit een vestigingskolonie was. De WIC stuurde alleen maar kolonisten naar Nieuw-Nederland voor bepaalde tijd, om de handelaars van voedsel te voorzien. De Walen waren volgens Condon niet gekomen om zich definitief te vestigen, maar om geld de verdienen.[12]

 

Oliver Rink is wel van mening dat de WIC de Walen naar Nieuw-Nederland stuurde om zich daar permanent te vestigen. In Holland on the Hudson laat hij met behulp van de Provisionele Ordere, de overeenkomst tussen de Walen en de WIC, zien dat de WIC  van plan was van Nieuw-Nederland een vestigingskolonie te maken.[13] Daarover straks meer.

 

Ook Van Cleaf Bachman is van mening dat de Walen zich blijvend wilden vestigen. Voor de WIC waren zij goed bruikbaar bij het opstarten van een landbouwkolonie, omdat de Walen bereid waren met hele gezinnen de overtocht te wagen.[14]

 

De redenering van Condon is dus niet overtuigend. Als de Walen als enige doel hadden gesteld snel rijk te worden in Nieuw-Nederland, is het merkwaardig dat ze met hele families gingen. Waarom zouden ze hun gezinnen aan zoveel gevaren blootstellen terwijl ze wisten dat ze binnen een aantal jaren weer terug zouden keren? De Walen waren wel degelijk van plan om in de kolonie een nieuw bestaan op te bouwen.

 

Toch moet worden opgemerkt dat het moeilijk is om andere redenen dan economische aan te dragen. Wel is het waarschijnlijk dat de stap om naar de Nieuwe Wereld te gaan voor de Walen kleiner was dan voor autochtone inwoners van de Republiek. Zij waren al eens verhuisd en bevonden zich nu toch al in een vreemd land.

 

Het leven in Nieuw-Nederland

 

Over de geschiedenis van de eerste jaren van Nieuw-Nederland en over de leefomstandigheden van de Waalse kolonisten in de kolonie is vrijwel niets bekend. Er zijn slechts twee getuigenverklaringen. Deze zijn beide van Catalina Trico Rapalje en staan vermeld in het derde deel van History of the state of  New York van Edmund Bailey O’ Callaghan.[15] De eerste  stamt uit 1684 of 1685, de tweede zelfs uit 1688. Hoewel er een aantal dingen niet kloppen in de verklaring is deze verklaring wel bruikbaar.[16]

 

Een andere bruikbare bron bij onderzoek naar de leefomstandigheden van de Waalse kolonisten is de Provisionele Ordere. De Provisionele Ordere was het contract dat de WIC sloot met de Waalse kolonisten voordat ze naar Nieuw-Nederland vertrokken. Hierin waren de verplichtingen en rechten van de kolonisten opgenomen. Dit document werd niet zomaar opgelegd aan de kolonisten, maar kwam waarschijnlijk tot stand na een aantal onderhandelingsronden tussen de Compagnie en voormannen van de kolonisten. In de Provisionele Ordere zijn namelijk belangrijke concessies gedaan aan Walen, die moesten beloven dat ze zich permanent zouden vestigen.[17] Deze concessies werden waarschijnlijk mogelijk gemaakt doordat de WIC haast had met het stichten van de kolonie. De Compagnie wilde het land van Nieuw-Nederland claimen met behulp van de kolonisten, voordat Engeland of Frankrijk dwars ging liggen.[18]

 

Het eerste artikel van de Provisionele Ordere gaat over het gezag in de kolonie. Hier was men verplicht zich te onderwerpen aan het gezag en de rechtspraak van de WIC.[19] De kolonie zou worden geleid door iemand van de Compagnie, die grote bevoegdheden had met betrekking tot de handel, verbouwing van gewassen en  religie. Ook had de directeur de bevoegdheid om de kolonisten te zeggen waar ze moesten gaan wonen. Toch hadden de Walen wel inspraak in het bestuur van de kolonie, door middel van een raad van kolonisten.[20]  

 

De omvang van het toegewezen land werd bepaald door de grootte van de familie.[21] Bij het bepalen van een vestiging werd gelet op het nut voor de bonthandel en op de strategische positie van de vestiging. De kolonisten werd hierbij ook verplicht hun bijdrage te leveren aan de bouw van de forten en andere publieke gebouwen.[22] Ook moesten de kolonisten beloven  dat ze zes jaar zouden blijven wonen op de plek van aankomst. Hierbij werd wel het voorbehoud gemaakt dat deze regeling zou worden opgeheven als de situatie van de kolonie daarom vroeg. In dat geval zouden de kolonisten de mogelijkheid krijgen om hun huizen, landerijen en vee te verkopen aan andere  kolonisten.[23]

 

Het tweede artikel handelt over godsdienst. Met betrekking tot de religie werden in theorie dezelfde maatstaven aangehouden als in de Republiek. In persoonlijke leven kregen de kolonisten de vrijheid hun eigen geloof aan te hangen. Voor de Walen, die zelf Protestanten waren, was deze regeling bevredigend. Toch bleek in praktijk, vooral in de eerste jaren van de kolonie, dat godsdienst geen grote rol speelde. Dit was vooral te danken aan het feit dat het de WIC onverschillig liet welk geloof de kolonisten aanhingen. De eerste jaren was er dan ook geen georganiseerde kerk.[24]

 

Op economisch gebied werden de kolonisten veel beloften gedaan. Alle kolonisten kregen een gratis overtocht en gratis land. Ook zou de WIC ze de eerste twee jaar voorzien van kleren en voedsel tegen een ‘redelijke prijs’, zonder rente.[25] Verder werden de Walen gestimuleerd om te zoeken naar goud-, zilver- en kopermijnen en naar andere kostbaarheden zoals diamanten. In ruil hiervoor zouden ze een deel van de winst krijgen.[26] Het belangrijkste punt was echter het toestaan van participatie in de bonthandel aan de kolonisten.

Figuur 1 : De voor Nieuw-Nederland onmisbare bever

De Walen moesten fungeren als tussenpersonen tussen de WIC en de Indianen. Zo zouden ze in staat worden gesteld hun economische positie verbeteren. Hierbij moest overigens wel rekening worden gehouden met het lot van de Indianen. De Walen dienden ‘getrouwelijck’ met de inheemse bevolking om te gaan.[27] De belofte aan de kolonisten met betrekking tot de beverhandel was een belangrijke concessie van de WIC.[28] Toch zou deze regeling snel worden opgeheven door de Compagnie.

 

Op 29 maart 1624 werd de Provisionele Ordere ondertekend en konden de Waalse kolonisten vertrekken naar Nieuw-Nederland. Tegen het einde van de lente kwam de Nieu Nederlandt aan in de kolonie. Hoewel Catalina Trico Rapalje zich zegt te herinneren dat ze met de Eendracht naar Nieuw-Nederland is gekomen, lijkt ze zich te vergissen. Waarschijnlijk kwam zij, zoals de meeste Waalse kolonisten, met de Nieu Nederlandt naar de kolonie. Weslager toont in Dutch exploreres, traders and settlers in  the Delaware valley overtuigend aan dat de Nieu Nederlandt, het tweede schip was dat naar Nieuw-Nederland vertrok. In januari 1624 vertrok het eerste schip, waarschijnlijk de Eendracht onder leiding van Adriaen Jorisz. Thienpoint. Bastiaen Jansen Krol, de ziekentrooster, maakte met dit schip de overtocht, samen met een aantal kolonisten.[29]

 

Bij aankomst in de kolonie werden de kolonisten opgesplitst in vier groepen en werden er op een aantal plaatsen kleine vestigingen gesticht, vooral in de buurt van de al bestaande handelsposten.  Een aantal families werden gevestigd aan de Delaware. Hier werd fort Wilhelmus gesticht. Twee families en zes mannen werden naar de Connecticut rivier gestuurd. Ook op Governors’ eiland werden een aantal kolonisten geplaatst om een fort te bouwen. Het grootste aantal kolonisten, onder wie Catalina Rapalje, werd echter net ten zuiden van het huidige Albany geplaatst. May liet hier een klein fort bouwen dat de naam Fort Orange kreeg. Hier verbleven ongeveer achttien families.[30]

 

Toen ze op de plaats van bestemming aan gekomen waren, gingen de Walen volgens Catalina meteen aan de slag. De kolonisten leefden in eerste instantie op kleine scheepjes, totdat ze klaar waren met het bouwen van hun hutten. Volgens Catalina Trico waren dit ‘huts of bark’.[31] Ook zaaiden zij graan in de vruchtbare grond bij Fort Orange. Nicolaes van Wassenaer schrijft in zijn Historische Verhael, dat ieder halfjaar uitkwam, dat het graan na een aantal maanden zo hoog stond ‘als een man’.[32]

 

In de eerste jaren bestond er een goede relatie tussen de inheemse bevolking en de kolonisten. De Indianen uit de buurt schenen weinig problemen te hebben met de nieuwkomers en handelden in alle vrijheid met de kolonisten.[33] Nadat de kolonisten zich hadden gevestigd kwamen de Indianen, volgens Catalina, en schonken de nieuwe bewoners beverhuiden als teken van vriendschap. Hierbij werden verdragen opgetekend waarin de vriendschap werd bezegeld. Niets stond de handel tussen de Walen en de Indianen in de weg.[34]

 

Toch  veranderde dit 1625. Door de tegenvallende opbrengst van de beverhandel besloot de WIC de prijs van bevervellen in de gehele kolonie gelijk te stellen aan de prijs die er bij de handelsposten werd geboden. Dit betekende dat het voor de kolonisten zinloos was beverhuiden te kopen van Indianen, omdat ze er niets mee zouden verdienen. Waarschijnlijk leidde deze maatregel tot grote wanorde onder de kolonisten, die nu zelf op beverjacht moesten om nog iets te kunnen verdienen. [35]

 

Het leven in de eerste vestigingen was voor de eerste kolonisten, gezien de omstandigheden in eerste instantie zeker niet slecht te noemen. Het is opvallend dat Catalina Trico deze periode uit haar leven erg positief bekijkt. De Walen hadden goede voorwaarden afgedwongen waaronder zij in Nieuw-Nederland zouden leven. Ze konden geld verdienen met het fungeren als tussenpersonen tussen de Indianen en de WIC. Ook konden zij profiteren van de vruchtbare grond waarover zij de beschikking hadden en gewassen verkopen aan de WIC en aan de Indianen. De vaststelling van de prijs van de beverhuiden moet echter irritatie hebben gewekt bij de kolonisten, doordat het ze nu veel moeilijker werd gemaakt om geld te verdienen aan de beverhandel.

 

 

Het leven in Nieuw-Amsterdam

 

Al snel bleken de kosten van de kolonisatie van Nieuw-Nederland veel hoger dan verwacht, terwijl de opbrengsten van de beverhandel tegenvielen. Ook had de WIC de verplichting de kolonisten de eerste twee jaar van alle benodigdheden te voorzien. Deze oplopende kosten waren waarschijnlijk reden voor de kamer van Amsterdam, en met name de handelsfactie, om over te gaan op het samenbrengen van de kolonisten op één plaats, Nieuw-Amsterdam.[36]

 

De instructies om een goede plek te vinden voor deze nederzetting waren gericht aan Willem Verhulst, die in 1625 directeur geworden was. Toch is het, zoals Charles Gehring in De Halve Maen aantoont, waarschijnlijker dat de koop van Manhattan van de Indianen en de stichting van Nieuw-Amsterdam toe te schrijven is aan Pieter Minuit, de opvolger van Verhulst. Hij kocht het eiland, waarschijnlijk half mei, voor de inmiddels beroemde zestig gulden aan goederen.[37]

 

Onder leiding van ingenieur Crijn Fredericksz. moest een fort worden gebouwd op de zuidpunt van Manhattan eiland. In eerste instantie was men van plan om een groot vijfhoekig fort te bouwen, waar iedereen in zou kunnen wonen. Dit bleek echter niet mogelijk. Er was niet genoeg arbeidskracht voorhanden om zo’n groot fort te bouwen. In plaats van een groot fort werd fort Amsterdam een veel kleinere versterking met vier hoeken. Daarbuiten werden twee molens gebouwd en dertig houten barakken. Hierin konden de kolonisten wonen.[38]

 

Als eerste kwamen de Walen aan, die bij de Delaware rivier hadden gewoond. Dit was waarschijnlijk begin 1626. In de late herfst van datzelfde jaar kwamen als laatsten de kolonisten die bij fort Orange hadden gewoond. Zij hadden de permissie gekregen hun oogst binnen te halen voor ze naar Nieuw-Amsterdam zouden vertrekken.[39]

 

Ook in Nieuw-Amsterdam kregen de Walen grond toegewezen van de Compagnie waarop ze hun gewassen konden verbouwen. De grond op Manhattan bleek echter minder vruchtbaar dan gehoopt. Verder werd het bebouwen van de grond bemoeilijkt door de vele bomen en wortels die er op Manhattan groeiden. Hierdoor, en doordat de WIC na de beloofde twee jaar weinig meer voor de kolonisten deed, zagen de Walen zich genoodzaakt voedsel te kopen van de Indianen. In ruil hiervoor kregen de Indianen messen, zaden of sewant.[40] Toch kan het stopzetten van de hulp aan de kolonisten door de WIC de terugkeer naar de Republiek niet echt verklaren, zoals Zabriskie en Kenney beweren. De WIC hield zich aan haar contract. De Walen wisten dat ze er na twee jaar alleen voor stonden.

 

In de handel in bevervellen konden de Walen na de verplaatsing naar Nieuw-Amsterdam geen rol meer spelen. Doordat de handelaren van de Compagnie op de oude vestigingen bleven, om handel te drijven met de Indianen, werd de positie van de kolonist in de beverhandel definitief tenietgedaan. Vanaf Manhattan was het vrijwel onmogelijk om zelf op beverjacht te gaan en de huiden aan de Compagnie te verkopen.

 

De komst naar Nieuw-Amsterdam had ook tot gevolg dat vanuit Amsterdam stemmen op gingen om in Nieuw-Nederland een kerk te stichten. Dit moest gebeuren onder leiding van Jonas Michaëlius. Michaëlius was al vaker in de Nieuwe Wereld geweest, namelijk in Brazilië en Guyana. Op 7 januari 1628 werd hij door de classis van Amsterdam naar Nieuw-Nederland gestuurd om daar een Gereformeerde kerk op te zetten.[41]

 

Het opzetten van deze nieuwe kerk in de kolonie bleek een moeilijk punt. Door de verschillen in cultuur en taal, was het voor Michaëlius nauwelijks mogelijk om een permanente kerk te vestigen waar iedereen mee kon leven. Daar kwam bij dat hij maar weinig medewerking kreeg van de directeur van de Nieuw-Nederland, Pieter Minuit.[42] Volgens Michaëlius dachten de leiders van de kolonie niet in het belang van Nieuw-Nederland, maar waren ze er alleen maar op uit om hun eigen positie te verbeteren. Zo gaven ze het slechte voorbeeld aan hun onderdanen.[43]

 

De Waalse kolonisten, voor wie de contracten na zes jaar afliepen, waren gedesillusioneerd. Ze weigerden zich nog langer in te spannen voor de kolonie. Ze vertrokken zodra hun verplichte diensttijd er op zat. Ook voor de WIC waren de eerste jaren van Nieuw-Nederland een grote mislukking die veel meer kosten met zich mee hadden gebracht dan opbrengsten. Met behulp van patroonschappen zou de Compagnie een nieuwe poging doen een volwassen kolonie van de grond te krijgen in de Nieuwe Wereld. 


Figuur 2 : Gezicht op Nieuw-Amsterdam in later tijden

 

Vergelijking

 

In een vergelijking tussen het leven in de eerste vestigingen van Nieuw-Nederland en het leven in Nieuw-Amsterdam vallen een aantal punten op. In de eerste plaats werd het door deze verplaatsing de kolonisten onmogelijk gemaakt nog een rol van betekenis te spelen in de beverhandel. De rol van tussenpersoon was al eerder tenietgedaan. Nu werd het de Walen ook nog onmogelijk gemaakt zelf op jacht te gaan naar bevers. Hiermee werd in feite het contract, de Provisionele Ordere, verbroken. Hierin was beloofd dat de kolonisten een rol als tussenpersoon zouden kunnen vervullen. Dit zou de rechtzaken kunnen verklaren, die de Walen tegen de WIC aanspanden bij hun terugkeer in de Republiek.[44]

 

In de tweede plaats zorgde de verplaatsing naar Nieuw-Amsterdam ervoor dat de kolonisten voor de tweede keer een nieuwe kolonie op moesten bouwen. Ze moesten helpen bij de bouw van fort Amsterdam en de hutten waarin ze zouden gaan wonen. Ook moesten ze opnieuw landerijen opzetten. Dit moet een desillusionerend effect hebben gehad.

 

Verder bleek de grond die de kolonisten kregen toegewezen veel minder vruchtbaar dan verwacht. Deze mindere vruchtbaarheid van het land moet ook hebben geleid tot gebrekkige motivatie bij de kolonisten.

 

De gebrekkige motivatie en de woede ten opzichte van de WIC blijkt uit een brief die dominee Michaëlius in 1628 schreef:

 

‘ …seggende, dat se niet gecomen waren om te wercken, dat se om te wercken wel tehuys gebleven mochten hebben, ende dat het al eens wat ofte hoevelemen dede, als het maer was in dienst der Comp(agni)e.’[45]

 

 

De verplaatsing naar Nieuw-Amsterdam zorgde er ook voor dat er vanuit de classis van Amsterdam stemmen op gingen om de Gereformeerde kerk naar de Nieuwe Wereld te brengen. Zoals vermeld gebeurde dit onder leiding van dominee Michaëlius. Ook veel Walen gingen naar deze kerk, zoals Michaëlius schrijft. Wel moest het avondmaal voor de Walen aangepast.[46] Dit wijst erop dat de stichting van de nieuwe kerk voor de Walen problemen met zich meebracht. Hoewel zij ook Protestanten waren moesten er nu compromissen worden gesloten met de andere kolonisten.

 

  

Conclusie

 

In het eerste gedeelte kwamen de eerste kolonisten die naar Nieuw-Nederland trokken aan bod. Dit waren Protestantse Walen, voor wie de Republiek een ideaal toevluchtsoord was. Na de afloop van het Twaalfjarig Bestand hadden ze zich tevergeefs aangemeld bij de Engelse koning. De WIC bood ze wel de mogelijkheid onder relatief gunstige omstandigheden naar de Nieuwe Wereld te vertrekken. Met name op economisch gebied slaagden de Walen er in goede voorwaarden af te dingen.

 

Aan de hand van de Provisionele Ordere en de getuigenis van Catalina Trico Rapalje werd hierna een beeld geschetst van de leefomstandigheden in de eerste kolonies. Deze bleken relatief gunstig te zijn. De Walen werden veelal gecompenseerd door de WIC voor de gemaakte kosten. Ook konden ze geld verdienen aan de beverhandel door de rol van tussenpersoon te vervullen. Verder kan worden gezegd dat de grond rond de eerste vestigingen bijzonder vruchtbaar was en dat de Indianen zich rustig hielden.

 

De verplaatsing van de kolonisten naar Nieuw-Amsterdam, die vanuit het oogpunt van kostenbesparing logisch was, betekende voor de kolonisten een nieuw begin. Er moest opnieuw een kolonie worden opgebouwd, op een plek waar de grond veel minder vruchtbaar was. Bovendien groeiden op Manhattan veel bomen en wortels die de verbouwing van gewassen bemoeilijkten. Dit moet bij de Walen hebben geleid tot frustratie. De opbouw van hun oude kolonie was voor niets geweest.

 

Ook op economisch gebied gingen de kolonisten er in Nieuw-Amsterdam op achteruit. Hun rol in de beverhandel was nu definitief uitgespeeld. Doordat de handelaren van de WIC op de oude handelsposten bleven werd het onmogelijk de handel in beverhuiden voort te zetten. Er waren nu dan ook geen mogelijkheden meer om financieel beter te worden van het verblijf in Nieuw-Nederland.

 

Op het gebied van hun geloofsovertuiging betekende de overgang naar Nieuw-Amsterdam ook geen verbetering. De vorming van één kolonie maakte het mogelijk om een gemeenschappelijke kerk in de kolonie te stichten. Dit had tot gevolg dat de Walen met betrekking tot hun religie meer rekening moesten houden met de andere kolonisten.

 

Kortom, de verplaatsing naar Nieuw-Amsterdam zorgde dus voor een aanzienlijke verslechtering in de leefomstandigheden van de Waalse kolonisten. Deze verslechtering leidde tot woede bij de kolonisten ten opzichte van de WIC en kan daarmee de vroegtijdige terugkeer van de Walen verklaren.

 

 

Noten

 



[1] George Olin Zabriskie en Alice P. Kenney, ‘The founding of New Amsterdam: fact and fiction’ in De Halve Maen. Magazine of the Dutch colonial period in America. 51-3, 13.

[2] Thomas J. Condon, New York beginnings (New York, Londen 1968), 105.

[3]Jaap Jacobs, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Leiden 1999), 64.

[4] J. Franklin Jameson, ed., Narratives of New Netherland, 1609-1664 (New York, 1909), 76.

[5] Zie: George Olin Zabriskie, ‘The founding families of New Netherland’ in:  De Halve Maen 47-1, 7.

[6] Mrs. Robert W. de Forest,  A Walloon family in America; Lockwood de Forest and his forbears 1500-1848,…; together with a voyage to Guiana, being the journal of Jesse de Forest and his colonists 1623-1625. 2 delen (Boston en New York 1914), 13-28.

[7] Oliver A. Rink, Holland on the Hudson. An economic and social history of Dutch New York (Ithaca en Londen 1986), 76.

[8] Condon, New York beginnings, 90.

[9] Ibidem, 91.

[10] Zabriskie en Kenney, ‘The founding of New Amsterdam’, 51-1, 15. Zie ook: Zabriskie, ‘The founding families of New Netherland, 8 en 16.

[11] Jacobs, Een zegenrijk gewest, 63.

[12] Condon, New York beginnings, 90-115.

[13] Rink, Holland on the Hudson, 76-77.

[14] Van Cleaf Bachman, Peltries or Plantations. The economic policies of the Dutch West India Company in New Netherland 1623-1639 (Baltimore en Londen 1969), 75-77.

[15] O’ Callaghan, E. B. ed., Documentary history of the state of New York III (Albany 1849-1851), 49-51.

[16] Van Cleaf Bachman, Peltries or plantations, 82.

[17] Rink, Holland on the Hudson, 76

[18] Van Cleaf Bachman, Peltries or plantations, 76.

[19] ‘Provisionele Ordere’, art. 1, 1n: Van Laer, Documents ralating to New Netherland, 1624-1626, in the Henri E. Huntington Library (San Marino, California 1924), 2.

[20] Van Cleaf Bachman, Peltries or plantations, 77-78.

[21] ‘Provisionele Ordere’, art. 6, 9.

[22]  Ibidem, art. 4, 6.

[23]  Ibidem, art. 16, 17.

[24] Van Cleaf Bachman, Peltries or plantations, 81.

[25] ‘Provisionele Ordere’, art. 7, 9.

[26]  Ibidem, art. 10, 10.

[27]  Ibidem, art. 18, 17.

[28] Rink, Holland on the Hudson, 79.

[29] Weslager, Dutch explorers, traders and settlers in the Delaware Valley 1609-1664 (Philadelphia 1961), 49-57.

[30] Brodhead, History of the state of New York (New York 1871), 151.

[31] O’ Callaghan, Documentary history III, 51.

[32] Jameson, Narratives of New Netherland, 75.

[33] Van Cleaf Bachman, Peltries or plantations, 83.

[34] O’ Callaghan, Documentary history III, 51.

[35] Van Cleaf Bachman, Peltries or plantations, 86.

[36] Jacobs, Een zegenrijk gewest, 64. Zie ook: Zabirskie en Kenney, ‘The founding of New Amsterdam’ 51-3, 6.

[37] Charles Gehring, ‘Peter Minuit’s purchase of Manhattan island’ in : De Halve Maen, 55-1, 6-7, 17.

[38] F.C. Wieder, De stichting van New York in juli 1625. Reconstructies en nieuwe gegevens ontleend aan de Van Rappard-documenten (Werken Linschoten-Vereeniging 26) (Den Haag 1925), 47-74.

[39] Zabirskie en Kenney, ‘The founding of New Amsterdam’ 51-3, 14.

[40] Schuyler van Rensselaer, History of the city of New York in the seventeenth century, deel 1 (New York 1909), 82-83.

[41] Ibidem.

[42] Rink, Holland on the Hudson, 92.

[43] Condon, New York beginnigs, 104.

[44] Zabriskie en Kenney, ‘The founding of New Amsterdam’ 51-3, 7.

[45] A. Eekhof, Jonas Michaëlius. Founder of the church in New Netherland (Leiden 1926), 103.

[46] Eekhof, Jonas Michaëlius, 117-118.

 

 

Literatuurlijst

 

-         Bachman, V.C., Peltries or plantations. The economic policies of the Dutch West India Company in New Netherland 1623-1639 (Baltimore 1969)

-         Brodhead, J.R., History of the state of New York (New York 1871), 150-191

-         Condon, Thomas J., New York beginnings. The commercial origins of New Netherland (New York, Londen 1968)

-         Eekhof, A., Jonas Michaëlius. Founder of the church in New Netherland (Leiden 1926)

-         Forest, Mrs. Robert W. de, A Walloon family in America; Lockwood de Forest and his forbears 1500-1848,…; together with a voyage to Guiana, being the journal of Jesse de Forest and his colonists 1623-1625. 2 delen (Boston en New York 1914)

-         Gehring, Charles T., ‘ Peter Minuit’s purchase of Manhattan Island – new evidence’ in: De Halve Maen 55-1 (1980), 6-7, 17

-         Jacobs, Jaap, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Leiden 1999)

-         Jameson, J. Franklin, ed. Narratives of New Netherland, 1609-1664 (New York 1909)

-         Jong, Gerald F. de, The Dutch in America 1609-1674 (Boston 1975), 10-27

-         Kammen, Micheal, Colonial New York. A history (New York 1975, herdruk Oxford 1996)

-         O’Callaghan, Edmund Bailey,  History of New Netherland; or, New York under the Dutch (New York 1846-1848, 2e druk 1855), 1-50

-         O’ Callaghan, E. B. ed., Documentary history of the state of New York III (Albany 1849-1851)

-         Phelps Stokes, I.N., The iconography of Manhattan Island 1498-1909 (New York 1915-1928), 104-120 en 174-208

-         Rink, Oliver A., Holland on the Hudson. An economic and social history of Dutch New York (Ithaca en Londen 1986)

-         Rink, Oliver A. ’The people of New Netherland: notes on non English immigration to New York in the seventeenth century. In: New York history. Quarterly journal of New York State Historical Association 62 (1981), 5-42

-         Schuyler van Rensselaer, History of the city of New York in the seventeenth century, deel 1 (New York 1909), 38-97

-         Weslager, C.A., Dutch explorers, traders and settlers in the Delaware Valley 1609-1664 (Philadelphia 1961).

-         Wieder, F.C., De stichting van New York in juli 1625. Reconstructies en nieuwe gegevens ontleend aan de Van Rappard-documenten (Werken Linschoten-Vereeniging 26) (Den Haag 1925)

-         Zabriskie, George Olin en Alice P. Kenney, ‘The founding of new Amsterdam: fact and fiction’. In: De Halve Maen 50-4 (1976), 5-6, 15-16; 51-1 (1976), 5-6, 13-14; 51-2 (1976), 51-3 (1976), 11-14; 51-4 (1977), 11-12, 15-16

-         Zabriskie, George Olin, ‘The founding families of New Netherland. No. 4 – The Rapalje-  

      Rapalje family, part 1’. In: De halve Maen 47-1, 7-8, 16