R.L.J. Toet
Houten, 22 juni 2001
Studentnr. 9940227
En zijn invloed op de ontwikkeling en het succes van de kolonie Rensselaerswijck in Noord Amerika
Werkstuk in het kader van
het project “De Wereld van Peter Stuyvesant”
Korte biografie van Kiliaen van
Rensselaer
De ontwikkeling van de kolonie
Rensselaerswijck tot 1643
“Kiliaen van Rensselaer
verclaert hemselven cum suis
van
nu aff aen te wesen patroon in de Noortreviere
van
Nieu-Nederlant, beginnende boven ende
beneden
van
het fort Orange aen beyde sijden van de reviere
mette eylandekens daerin gelegen, soo veele mijlen
onderwaerts, als bij de Vergaderinge der XIX gestelt
is;
van meeninge sijnde metten eersten derwaerts een
colonie te deduceren, op de conditiën, bij de
Vergaderinge der XIX als vooren beraemt.”
Aldus een “Extract uytte resolutiën van de
West-Indische Compagnie ter Camer tot Amsterdam” van 19 november 1629.[1]
Deze verklaring van Kiliaen van Rensselaer luidde een project in dat hem
zijn plaats in de geschiedenis van
zowel Nederland als de Verenigde Staten heeft bezorgd: de stichting van de
kolonie Rensselaerswijck. Het is de enige Nederlandse kolonie in Noord Amerika
die met succes lange tijd heeft bestaan en waarvan de naam nog steeds
voortleeft als ‘Rensselaer county’, bij Albany in de staat New York.
Voor de ondernemer Kiliaen van Rensselaer was
het een investeringsproject, opgezet en door hem gesteund vanuit Amsterdam; hij
heeft zelf nooit het Amerikaanse continent bezocht.
Van oorsprong een telg uit een Veluws
geslacht van landedelen, had Kiliaen zijn sporen en kapitaal verdiend in de
juwelenhandel. Toen de West-Indische Compagnie de mogelijkheid bood te
investeren met daaraan verbonden een zekere zeggenschap over het beleid hapte
hij toe. Daarbij stond hem niet voor ogen om in korte tijd zoveel mogelijk
winst te behalen, maar veeleer om een continue inkomstenstroom te genereren,
ook op langere termijn. Zijn Veluwse achtergrond bracht bovendien een
verbondenheid mee met de landbouw en voor beide, continue inkomsten en
landbouw, beloofde het stichten van een kolonie in Nieuw- Nederland goede
vooruitzichten.
In het kader van dit werkstuk zal worden
getracht zowel de persoon van Kiliaen van Rensselaer te beschrijven als zijn
invloed op het tot stand komen en op de ontwikkeling van de naar hem genoemde
kolonie Rensselaerswijck.[2]
Vader Hendrik van Rensselaer was evenals
diens tweelingbroer Johan, hopman in het Staatse leger. Hij was in 1580
gelegerd in het Overijsselse Hasselt toen zijn vrouw, Maria Pasraet, het leven
schonk aan een zoon. Hij was hun derde kind[3]
en werd naar zijn grootvader Kiliaen genoemd. De vroege jeugd van Kiliaen zal
waarschijnlijk mede bepaald zijn geweest door het beroep van zijn vader, maar
daarover zijn geen gegevens beschikbaar. Hendrik sneuvelde in 1602 bij het
beleg van Oostende. Later zou Kiliaen hem en Johan – die een jaar eerder dan
zijn tweelingbroer in zijn garnizoen in Deventer was overleden – bijzetten in
een grafkelder in de kerk te Nijkerk, gedekt met een met de familiewapens
verrijkte grafzerk.[4]
Op jonge leeftijd, waarschijnlijk nog tijdens
het leven van zijn vader, kwam Kiliaen als ‘koopmansdienaer’ in dienst bij zijn
oom, de Amsterdamse juwelier Wolfert van Byler Wynantszoon, afkomstig uit
Barneveld.[5]
Voor hem bereisde Kiliaen een groot deel van Europa en bezocht ook de
vorstenhoven oostelijk van de Rijn. In 1608 ging hij naar het hof te Praag om
er juwelen te verhandelen. Van die reis dateert zijn oudste bewaard gebleven
rapport dat ook informatie bevat over de politieke situatie aldaar.[6]
Toen Van Byler zich uit de zaken terugtrok,
richtte Kiliaen met een compagnon het
handelshuis Kiliaen van Rensselaer en Co. op.[7]
In 1614 werd dit huis verenigd met dat van Johan van Wely (een neef –
zusterszoon - van Wolfert) tot de firma Jan van Wely en Co.
In 1616 trouwde Kiliaen met Hillegond van
Byler, een nicht van en ook erfgename van Wolfert.[8]
Zij kregen twee zonen: Hendrik, die al vroeg overleed en Johan, in 1625
geboren, die na de dood van zijn vader patroon van Rensselaerswijck zou worden.
In zijn huwelijksjaar bouwde Kiliaen een nieuw huis aan de pas gegraven
Keizersgracht te Amsterdam.
In januari 1616 werd Johan van Wely in Den
Haag vermoord.[9] Kiliaen
diende de termijn van het met hem gesloten contract uit en vestigde zich in
1620 in Amsterdam als onafhankelijk makelaar in juwelen en edele metalen. In
hetzelfde jaar begon hij heidevelden in het Gooi te ontginnen ten behoeve van
de landbouw (hij kocht er in 1628 ook het landgoed Crailo). Zijn voorkeur voor
de landbouw moet ongetwijfeld in verband worden gebracht met de traditie van
zijn voorouders, die hoogstwaarschijnlijk boeren waren op de Veluwe, op de
hoeve “de Rensselaer”.[10]
Bij de oprichting van de West-Indische
Compagnie in 1621werd Kiliaen daarin hoofdparticipant, bewindhebber van de
Kamer van Amsterdam van de WIC en namens die Kamer bewindhebber van de WIC
zelf. De Amsterdamse kamer werd belast
met het beheer van Nieuw Nederland. Kiliaen maakte deel uit van de daartoe
gevormde aparte commissie en had een groot aandeel in de besluitvorming.
Eind 1626 overleed zijn echtgenote Hillegond
en in 1627 hertrouwde hij met Anna van Wely, dochter van zijn voormalige
compagnon Johan. Zij schonk hem vier zoons en vier dochters. Drie van de zoons,
Jan Baptist, Jeremias en Ryckaert, werden later directeur van Rensselaerswijck
en de vierde, Nicolaas, werd predikant, ten laatste te Albany.
In 1629 stelde de WIC de “Vrijheden en
Exemptiën” vast. Deze bevatten de basisregels voor het stichten van een
particuliere nederzetting (patroonschap) in Nieuw-Nederland. Kiliaen meldde
zich terstond aan als patroon voor een kolonie ten noorden van Nieuw Amsterdam
aan de Noordrivier (thans Hudson River). Hij kocht er land van de indianen en
ging een samenwerkingsverband aan met zijn medebewindhebbers Burg, Blommaert en
Godijn. In 1631 trad hij af als bewindhebber van de Amsterdamse Kamer van de
WIC en wijdde zich vanuit Amsterdam aan de verdere ontwikkeling van de nieuwe
kolonie, naar hem Rensselaerswijck genaamd.
Kiliaen van Rensselaer overleed in oktober
1643.[11]
Het door de Staten-Generaal bij oprichting
van de WIC in 1621 verleende octrooi omvatte het monopolie van alle handel en
scheepvaart op de oostkust van Afrika en op vrijwel geheel Amerika (alsmede op
de ‘Austraelsche Zuyderlanden’). De WIC mocht ook bezittingen verwerven en
soevereine rechten uitoefenen en moest daarnaast afbreuk doen aan de
Spaans/Portugese belangen in de haar toegewezen gebieden. Vanwege de laatste,
niet de minst belangrijke, opdracht kon de oprichting van de WIC pas
plaatsvinden na afloop van het twaalfjarig bestand met Spanje. Het octrooi
maakte een einde aan de vrijhandel op Nieuw-Nederland die na afloop van een
eerder verleend octrooi was ontstaan.[12]
De (particuliere) investering in de nieuwe
Compagnie vlotte niet goed. Pas na uitbreiding van het octrooi in 1622 en 1623
kwam de intekening op gang. [13] Kiliaen was één van de eersten die geld
inlegden. Op 30 november 1621 stelde hij zesduizend gulden beschikbaar. Later
vulde hij dit bedrag nog meermaals aan tot een totaalbedrag van 18.200 gulden
(in januari 1625). Hij werd hiermee één van de grootste aandeelhouders.[14]Aanvankelijk
hadden de Staten-Generaal een voorstel afgewezen van de hoofdparticipanten,
onder wie Kiliaen, om invloed te kunnen uitoefenen bij het benoemen van
bewindhebbers, maar in juni 1623 gaven zij de zegen aan het “Accoordt tusschen
de Bewinthebberen ende Hooft-participanten”, waarbij de laatsten het recht
kregen bewindhebbers te benoemen. De benoeming van Kiliaen in de Amsterdamse
kamer was een eerste uitvoering van dit accoord. Tot 1631 bleef hij er
onafgebroken bewindhebber.[15]
De Amsterdamse kamer mocht acht van de negentien bewindhebbers van de WIC
benoemen en het ‘Accoordt’ van juni 1623 bepaalde dat één van hen door de
hoofdparticipanten zou worden aangewezen. De keuze viel daarbij direct op
Kiliaen.
De eerste bijeenkomst van de Amsterdamse
kamer – gedurende de eerste zes jaren presidiale kamer in de WIC - vond plaats
op 3 augustus 1623, onder leiding van een afgevaardigde van de Staten-Generaal.
Hoewel de Compagnie in de eerste plaats de handel nastreefde, heeft van het
begin af belangstelling bestaan voor het stichten van kolonies. In maart 1624
werd door de Heren XIX op voorstel van de Amsterdamse kamer een “generale ordre
voor de coloniën om veel luyden daartoe te verwecken” aangenomen. Ook een
Amsterdams voorstel tot reglementering van de kolonisering (“articulbrief”)
werd aanvaard. Kiliaen was ter vergadering aanwezig.
Al gauw openbaarde zich ten aanzien van
Nieuw-Nederland een controverse onder de bewindhebbers, tussen degenen die het
gebied uitsluitend als handelsgebied zagen en alleen de noodzakelijke kosten
wilden maken om die handel te kunnen realiseren en degenen die meer zagen in
ontwikkeling van het gebied, als stapelplaats en als mogelijkheid voor landbouw
en veeteelt. In dat geval zou pas sprake zijn van profijt op langere termijn.
Kiliaen behoorde duidelijk tot de laatste factie. In zijn Memorie van 25
november 1633 aan de Heren XIX bracht hij dit onder woorden: wilde het gebied
winst opleveren dan moest getracht worden er mensen heen te brengen die het
land zouden ontginnen en het tot stapelplaats zouden maken voor de handel op
West-Indië.[16] Het werd al
spoedig duidelijk dat er binnen de ‘XIX’ geen meerderheid te vinden was voor
het kolonisatiestandpunt[17]
en, wellicht als compromis, werd er mee ingestemd om die kolonisatie zonder
reële kosten voor de Compagnie mogelijk te maken. Een aantal hoofdparticipanten
had er oren naar, zo ook Kiliaen. Om die particuliere kolonisatie
(patroonschap) in het octrooi van de WIC in te passen stelden de ‘XIX’ in 1628
een lijst met “Vrijheden ende Exemptiën” op. De hoofdparticipanten vonden die
echter niet ver genoeg gaan en protesteerden. Kiliaen was vertegenwoordiger van
die hoofdparticipanten, commissaris voor Nieuw Nederland en ook nog zelf
belanghebbende om een landbouwkolonie te stichten in het gebied. Hij besloot
daarom zich afzijdig te houden van de verdere discussies over de lijst en zich
voor te bereiden op de stichting van zijn kolonie.
Nog voordat de hoofdparticipanten hun beklag
indienden, kondigden hij en medecommissaris Godijn aan twee vertegenwoordigers
te zenden naar Nieuw Nederland om het land te verkennen en bij gebleken
geschiktheid daar een kolonie te stichten. Zowel met het rapport van de
vertegenwoordigers[18]
als met de in juni 1629 herziene en uitgebreide Vrijheden ende Exemptiën kon
Kiliaen tevreden zijn. Op 19 november kondigde hij in de Amsterdamse kamer zijn
patroonschap aan. Ook andere bewindhebbers meldden zich daartoe aan. Met drie
van hen, Albert Coenraedsz. Burg, Samuel Godijn en Samuel Blommaert, sloot hij
een verbond om gezamenlijk in hun patroonschappen deel te nemen. De
overeenkomst daartoe, gesloten op 1 februari 1630, bepaalde dat ieder van hen
2/5 aandeel zou hebben in de eigen kolonie en 1/5 in die van elk van de
anderen.[19] Het bestuur van de eigen kolonie behoefde
niet te worden gedeeld, beslissingen over investeringen wel, afhankelijk van de
grootte daarvan. Kiliaens patroonschap zou echter het enige succesvolle blijken
te worden.
In januari 1630 gaf Kiliaen aan Bastiaen
Jansz. Krol, commies der Compagnie op fort Oranje en tijdelijk in Nederland,
instructies mee voor de aankoop van land bij het fort. De Compagnie zou de
kooppenningen voorschieten. Krol slaagde er inderdaad in het gewenste gebied
aan te kopen; volgens Kiliaens instructies, om alle eventuele disputen over de
rechtsgeldigheid uit te sluiten, werd de koop bezegeld ten overstaan van de Directeur
van Nieuw Nederland, Minuit, en enkele verkopende indiaanse stamhoofden. Naar
Kiliaens opvatting was hij nu in alle rechten getreden van de indiaanse
verkopers, niet alleen als eigenaar, maar ook als soeverein, als leenman van de
Staten-Generaal, alleen in zijn rechten beperkt door de Vrijheden ende
Exemptiën der WIC. Deze opvatting werd door de gezamenlijke patroons ook
neergelegd in hun vertoog aan de Staten-Generaal van juni 1634 met verzoek om
arbitrage in hun conflict met de WIC over de interpretatie van de “Vrijheden”.[20]
Toen na verdere landaankopen in april 1631 en
in 1637 het areaal van de kolonie was afgerond kon Kiliaen in Nieuw Nederland
een gebied groter dan de huidige provincie Gelderland tot het zijne rekenen.
Kiliaen kon Krol voor zijn inspanningen belonen door te bewerkstelligen dat hij
in 1631 werd benoemd tot opvolger van Minuit als directeur van Nieuw Nederland.
Kort daarna, in juni 1631 trad Kiliaen af als bewindhebber van de Amsterdamse
kamer en werd niet herkozen. Hij kon nu volledig zijn eigen weg gaan en deed
dat ook. Helaas voor hem bleef onenigheid met de kamer bestaan over het
kolonisatiebeleid en die onenigheid mondde uit in regelrechte tegenwerking van
de kamer. Hij en de andere patroons werden ervan beschuldigd eigen gewin na te
streven ten koste van de Compagnie. In het bijzonder gold dat de bonthandel.
Kiliaen sommeerde zijn kolonisten meermalen zich van die handel te onthouden.
In een uitvoerige memorie van november 1633, gericht aan de Heren XIX,
bewindhebbers van de WIC, deed hij zijn beklag over de door de Compagnie
ondervonden tegenwerking, onder andere betreffende de weigering om in Nieuw
Amsterdam gekocht vee naar Rensselaerswijck te laten vervoeren. Hij bleef zich
overigens vergeefs inspannen ook zelf weer aan het roer te komen in de
Amsterdamse kamer. Toen hij in 1636 weer een poging waagde te worden herkozen
tot bewindhebber slaagde hij niet en kreeg zelfs op twee na het kleinste aantal
stemmen van de vijftien kandidaten.[21]
De vraag die zich onvermijdelijk voordoet bij
de combinatie van het zijn van bewindhebber en commissaris voor Nieuw Nederland
met het (aspirant) patroonschap aldaar is in hoeverre Kiliaen gebruik of
misbruik heeft gemaakt van de belangenverstrengeling die die combinatie met
zich bracht.
Wat zijn de feiten, voor zover bekend?
·
Kiliaen
was bekend met de geografie in Nieuw Nederland door brieven daarover van Isaac
de Rasičre (van 1626 tot 1628 secretaris van Nieuw Nederland) aan Blommaert en
van predikant (van 1628 tot 1632) Michaelius aan Godijn, beide geadresseerden
medecommissaris van Kiliaen. Daarom konden hij en Godijn hun verkenners
rechtstreeks naar het gebied rond fort Oranje sturen.[22]
·
Het
waren juist de meest direct betrokkenen bij Nieuw Nederland binnen de WIC die
zich onmiddellijk aanmeldden voor een patroonschap nadat ze die constructie
mede zelf hadden geschapen. Drie dagen nadat Piet Heijn met de zilvervloot was
teruggekeerd meldden Kiliaen, Godijn en Blommaert zich formeel aan voor het
patroonschap. Was hier sprake van het gebruik maken van de euforie binnen de
WIC die goede kansen zou kunnen bieden om de nog gelimiteerde vrijheden (van
1628) uit te breiden?
·
De
Compagniesfunctionarissen maakten bij terugkomst in patria hun opwachting bij
de commissarissen. Kiliaen leerde ze dus persoonlijk kennen en kon ze eventueel
engageren of kon ze medewerking vragen ten behoeve van zijn kolonie (bijv.
Krol, Wolfert Gerritsz., Rutger Hendricksz., Gerrit de Reux), zelfs al hadden
ze zich al verbonden aan de Compagnie (zoals bijv. Rutger Hendricksz., die hij
desondanks in dienst nam, of Krol, die hij de aankoop van zijn gronden liet
verzorgen).[23]
·
Binnen
twee jaar na het vaststellen van de uiteindelijke versie van de Vrijheden ende
Exemptiën wilde de Compagnie weer van de patroonschappen af en probeerde de
bestaande patroonschappen te elimineren. Een aantal bewindhebbers meende ook
dat ze niet rechtmatig verkregen waren.[24]
·
Bij
gelegenheid van de aankoop van gronden voor Godijns kolonie Swanendael (de
eerste investering voor de samenwerkende patroons) verkregen hij, Kiliaen en
Blommaert toestemming van de Compagnie om, ondanks het octrooi, een
respectabele hoeveelheid huiden - het voornaamste exportproduct van Nieuw
Nederland – te verhandelen. Niet duidelijk is of ze bij het verkrijgen van die
toestemming al dan niet hun positie als bewindhebber en commissaris
misbruikten.[25] In ieder
geval ontstond over de uiteindelijke opbrengst (5600 gulden) onenigheid tussen
de WIC en Kiliaen.[26]
·
Kiliaen
beriep zich herhaaldelijk op de Vrijheden ende Exemptiën, maar nam het zelf
niet altijd even nauw met de regels: hij trok zich niets aan van de bepaling
die de in Nieuw Nederland aan te kopen gronden beperkte.
·
Samuel
Blommaert had geen beste reputatie. In 1611 was hij teruggeroepen uit Indië op
beschuldiging van ernstige fraude ten opzichte van de VOC en in de jaren dertig
zou hij WIC-geheimen verraden aan de Zweden.[27]
Van Cleave Bachman en J. Spinoza Catella Jessurun hebben beiden de mogelijkheden van
belangenverstrengeling besproken.[28]
Bachman wijdt een hoofdstuk aan de vraag of de “Vrijheden” werden verkregen
door fraude [29]. Jessurun
maakt alleen een enkele opmerking terzijde, maar twijfelt niet aan de goede
trouw van Kiliaen. Hij ziet trouwens voornamelijk zijn goede karaktertrekken,
zoals trouw, gezagsgetrouwheid, godvruchtigheid, eerlijkheid, menslievendheid
en vredelievendheid (maar wel vastberaden staand voor zijn ideaal); als min of
meer negatief punt – hoewel niet als zodanig aangeduid - kan dan worden gezien
het tot in detail opkomen voor eigen rechten, zoals Skylines herhaald protest
tegen toewijzing van de laatste van de 19 stoelen in de WIC-vergadering aantoont. Bachman weegt tenslotte de voors
en tegens af en concludeert: “The case against the patroons is unproved”.[30]
Wat opvalt bij beiden is dat niet wordt
getracht het handelen van Kiliaen en zijn medepatroons te bezien in het licht
van de moraal van de 17e eeuw. Was het geaccepteerd dat bestuurders
ook te eigen bate gebruik maakten van kennis en wetenschap, opgedaan uit hoofde
van hun functie? Was het gebruikelijk dat zij de organisatie die ze bestuurden,
of mensen in dienst daarvan, ook inschakelden voor privé-besognes? Uit de
onenigheid tussen de kamer van Amsterdam en Kiliaen na diens aftreden blijken er
op dit punt wel fricties te zijn, maar het voornaamste twistpunt blijkt toch te
zijn de sterk uiteenlopende visie over de taak van de WIC: handelsonderneming pur sang versus
ondersteuner van kolonisering.
Gaan we in het kort bovengenoemde feiten
langs dan vallen de bekendheid met de geografie vanwege de functionele kennis
van de patroons/commissarissen, het op grond daarvan snel reserveren van de
beste gebieden en het inschakelen van compagniesfunctionarissen onder de morele
oirbaarheden of onoirbaarheden die niet voldoende kunnen worden beoordeeld
zonder nadere studie van de zeventiende-eeuwse moraal.
Dat de commissarissen direct voor eigen gewin
wilden koloniseren toen de WIC die kolonisatie voor haar rekening te ongewis,
niet binnen haar kader passend c.q. te kostbaar vond, is niet zo verwonderlijk.
Al vanaf het begin van de oprichting van de WIC heeft de discussie gespeeld en
Kiliaen cum suis waren steeds voorstander van die kolonisering geweest. Dat zij
bewust de afwijzing ervan door de WIC zouden hebben bewerkstelligd om zelf de
voordelen ervan te genieten, lijkt onwaarschijnlijk gezien hun vasthoudendheid
pro kolonisatie. Het patroonschap is ook geen eigen uitvinding geweest van de
Amsterdamse kamer, want al eerder had de Zeeuwse kamer deze constructie
ontworpen voor kolonisering in Tobago en Guyana.[31]
De omstandigheid dat de WIC twee jaar na de
“Vrijheden” de patroonschappen weer wilde elimineren wijst op consistentie van
de dan gevoerde politiek. De handelsfactie stond duidelijk aan het roer en had
weinig consideratie met de voorstanders en uitvoerders van kolonisatie. Dat de
“Vrijheden” frauduleus zouden zijn verkregen ligt niet voor de hand als we zien
welke uitvoerige discussies in commissies en in pleno daarover zijn gevoerd.
Ieder moest of kon weten waarom het ging. Bovendien was de tekst grotendeels overgenomen van het al
opgestelde document voor Guyana. De voornaamste aanvulling daarop was het
gelimiteerde recht op handel in pelterijen, maar de voordelen die dat met zich
bracht waren marginaal, zoals Bachman aantoont.[32]
De rechtmatigheid van verkrijging van de
eenmalige concessie van pelterijenhandel bij de aankoop van de gronden voor
Swanendael is niet meer na te gaan, maar werd door sommige bewindhebbers en hoofdparticipanten
beschouwd als bewijs dat het de patroons in spe niet te doen was om kolonisatie
maar om het behalen van handelsvoordelen ten koste van de Compagnie.
Kiliaen zag deze houding als
voornaamste oorzaak van het anti-patroon gevoelen dat in 1632 overduidelijk
werd. Hij stipuleerde in zijn Memorie van 25 november 1633 dat de behaalde
winst in het niet viel bij de hoge kosten die daarna moesten worden gemaakt.[33]
Kiliaens gebrek aan terughoudendheid bij de
aankoop van land voor zijn kolonie Rensselaerswijck (hij droeg bijvoorbeeld
Krol op zoveel land te kopen als mogelijk zou zijn)[34]
strookt niet met zijn veelvuldig hameren op de artikelen van de “Vrijheden” als
hij meende dat hem onrecht werd aangedaan. Artikel 5 bepaalde namelijk dat het
gebied van één patroon zich niet verder dan vier mijl langs de kust of langs
een rivier mocht uitstrekken of twee mijl als het om beide oevers ging. Wel
mocht landinwaarts zover worden gegaan “als de gheleghentheyt van de
occupateurs toelaten sal”.[35]
Het is niet bekend of er ooit dispuut is geweest over het niet naleven van dit
artikel. Kennelijk zijn er geen maatregelen genomen om de omvang van de kolonie
te beperken. Jacobs, auteur van Een
zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Amsterdam
1999) is van mening dat Kiliaen wel
moeite deed om alles volgens de regels van de WIC te doen, maar dat hij deze
regels wat eenzijdig interpreteerde.[36]
Kijken we naar de reputatie van Kiliaens
partners in de patroonschappen dan valt op dat Bachman melding maakt van een
beschuldiging wegens fraude tegen Blommaert tijdens diens eerder dienstverband
bij de VOC. Toch stond deze omstandigheid een benoeming in de Amsterdamse kamer
van de WIC klaarblijkelijk niet in de weg (had hij zich wellicht gezuiverd van
die aanklacht?) en ook de samenwerking met Kiliaen, Godijn en Burg leed daar
voor zover bekend niet onder. Overigens zegt een bevlekt blazoen van Blommaert
nog niets over het karakter van diens compagnons Kiliaen, Burg en Godijn.
Bachman komt tot de slotsom dat de beschikbare gegevens over Kiliaen en Godijn
niet voldoende zijn om conclusies te kunnen trekken omtrent hun eerlijkheid in
hun relatie tot de WIC (Jessurun trekt die conclusie wel, ten gunste van
Kiliaen, zoals boven vermeld). Bachman acht overigens de integriteit van Burg
(burgemeester van Amsterdam en internationaal diplomaat) en De Laet (de Leidse
geleerde die in 1632 de helft van Burgs aandelen in de patroonschappen met
Kiliaen, Godijn en Blommaert overnam) boven verdenking verheven.[37]
Met betrekking tot Blommaerts informatie aan
de Zweden is van belang te weten hoe men in de zeventiende eeuw aankeek tegen
samenwerking met of indiensttreding van een buitenlandse mogendheid als
Zweden. Werd het Hugo de Groot kwalijk
genomen dat hij optrad als Zweeds ambassadeur?
Was het ongehoord dat Minuit zich uiteindelijk in dienst van de Zweden
in Nieuw Nederland stelde? In de jaren dertig van de zeventiende eeuw was
Zweden geen vijandige mogendheid, maar stond met Gustaaf Adolf juist pal voor
de protestantse zaak in Duitsland. Natuurlijk was het moeilijk verteerbaar dat
de Zweden zich met de informatie die hun door Blommaert was verstrekt in het
zuiden van Nieuw-Nederland wilden vestigen.
Over die zeventiende-eeuwse moraal geeft L.
Kooymans in zijn Vriendschap en de kunst
van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw enkele relevante
beschouwingen. Men werd in de zeventiende eeuw niet beoordeeld op persoonlijke
deugden maar op zijn gedrag in het openbaar. Belangrijk was dan ook om te
suggereren dat men zich hield aan de gangbare normen. Aan de hand van de
levensloop van Joan Huydecoper (1625-1704), burgemeester van Amsterdam en
bewindhebber in de Amsterdamse kamer van de VOC, concludeert Kooymans dat het
benutten van openbare ambten om zichzelf en de zijnen te helpen geaccepteerd
was, al werd er wel eens gebromd als iemand te ver ging. Zo was het normaal om
voor een dienst een wederdienst te verlangen. Die wederdienst werd niet direct
geconcretiseerd of op geld gewaardeerd, want dat zou corruptie zijn, maar bleef
als een morele verplichting naar de toekomst geboekstaafd.[38] Hieruit blijkt dat een zekere verstrengeling
van persoonlijke en openbare belangen geoorloofd was.
Een enkel woord nog over de controverse van
Kiliaen met de Amsterdamse kamer van de WIC na zijn aftreden in 1631 en over
het conflict, met vooral De Laet, over de zeggenschap met betrekking tot
Rensselaerswijck.
Het eerste conflict broeide al tussen de
beide facties in de WIC, de ‘handelsfactie’ en de ‘kolonisatiefactie’ tijdens
Kiliaens bewindhebberschap.
Spoedig na aanvaarding van de “Vrijheden” had
de handelsfactie de macht overgenomen; deze poogde de situatie zo veel mogelijk
terug te draaien en de patroons dwars te zitten. De bonthandel was daarbij een
voornaam punt van controverse. De “Vrijheden” spraken van een verbod op de
bonthandel voor de patroons met uitzondering van de gebieden waar de Compagnie
niet gevestigd of vertegenwoordigd was. De patroons stelden dat de situatie van
1629, toen de clausule was opgenomen, maatgevend was, de WIC eiste dit verbod
ook voor die gebieden waar ze zich later vestigde. Bovendien stelden de
patroons dat de in de “Vrijheden” niet genoemde gebieden en hun eigen kolonie
van dit verbod uitgezonderd waren. Daar hoefde volgens hen dan ook geen
recognitie te worden betaald voor verkregen bevervellen. De WIC loste het
conflict niet op en daarom werd in juni 1634 door de gezamenlijke patroons een
vertoog gericht aan de Staten-Generaal. Deze verzochten beide partijen tot een
compromis te komen hetgeen waarschijnlijk gelukt is en de WIC ertoe heeft
gebracht de patroons te willen uitkopen. Dat lukte voor Swanendael en Pavonia
(het patroonschap van eveneens oud-bewindhebber Michiel Pauw van
Achttienhoven). Kiliaen overwoog weliswaar verkoop, maar ging hiertoe
uiteindelijk niet over. Het conflict ging over de bonthandel, maar voor hem was
de landbouw toch belangrijker. Wel kwam zijn relatie met de WIC in een wat
rustiger vaarwater, tot door de WIC nieuwe Vrijheden ende Exemptiën werden
overwogen, aanzienlijk minder ruim dan de bestaande. Toen probeerde hij zijn
bestaande rechten gegarandeerd te krijgen en ging ervan uit dat nieuwe
beperkende bepalingen niet voor hem zouden gelden. Uiteindelijk wist hij te
bereiken dat zijn rechten niet werden aangetast;[39]
In 1640 aanvaardden de Staten-Generaal de nieuwe Vrijheden ende Exemptiën, die
de patroons bovendien de mogelijkheid boden te profiteren van de afschaffing
van het WIC-monopolie op de bonthandel.
Het conflict met zijn medeaandeelhouders in Rensselaerswijck,
van wie Johannes de Laet de woordvoerder was, ging over de zeggenschap van de
aandeelhouders in het bestuur van de kolonie. Van de oorspronkelijke opzet was
alleen Rensselaerswijck als patroonschap overgebleven, waarin oorspronkelijk Kiliaen
2/5 aandeel bezat en Blommaert, Godijn en Burg ieder 1/5. Burgs aandeel werd
voor 50% overgenomen door De Laet en dat van Godijn kwam tenslotte in bezit van
Kiliaen, die dus uiteindelijk de meerderheid der aandelen kreeg.[40]
Centrale vraag in het conflict was of de directie en de heerlijke rechten met
betrekking tot Rensselaerswijck alleen aan Kiliaen toekwamen of aan alle
aandeelhouders, zoals in een ambachtsheerlijkheid in Nederland. Dit conflict
werd pas na overlijden van Kiliaen door de Staten-Generaal beslist (in 1650)
ten faveure van de medeparticipanten.[41]
Met betrekking tot het bestuur van de kolonie was Kiliaen onvermurwbaar, want
hij meende dat een gedeeld bestuur juist de ondergang was geworden van
Swanendael. Inzake de heerlijke rechten stelde hij een compromis voor: de middelste en lage jurisdictie in de
kolonie zou worden verdeeld over de vijf aandelen, maar als patroon wilde
Kiliaen zelf de hoge jurisdictie houden, alsmede wat hem toekwam voor zijn 3/5
aandeel. Dit was niet acceptabel voor De Laet en Blommaert (‘U Edele wil ons
cardinalen maken maar selfs paus wesen’). Het conflict zorgde echter niet voor
een impasse in de investeringen: allen bleven bereid om geld in de onderneming te storten, al lieten de
anderen notarieel aantekenen dat dit niet afdeed aan hun claims.[42]
Een voorwaarde voor behoud van de “Vrijheden”
was het bevolken van de kolonie binnen vier jaar met tenminste vijftig personen
ouder dan vijftien jaar. Hoewel dit niet lukte heeft Kiliaen zijn uiterste best
gedaan om aan deze eis te voldoen. Dat bleek niet eenvoudig; de lijst van door
hem uitgezonden kolonisten tussen 1630 en 1634 bevat 27 volwassenen en een
tiental kinderen, van wie de leeftijd niet wordt vermeld.[43]
Wolfert Gerritsz., Rutger Hendricksz. en Roelof Jansz. waren de eersten die het
land moesten omploegen en bewerken en een huis moesten bouwen, volgens
gedetailleerde instructies van Kiliaen, zowel wat de plaats betrof als de
uitvoering. In 1631 werd de eerste boerderij gebouwd, ‘Rensselaersburch’ met
Rutger Hendricksz. als boer en in hetzelfde jaar nog een tweede, ‘De
Laetsburch’ met Roelof Jansz. als boer, spoedig opgevolgd door De Reux. Tevens
werd een niet erg succesvol begin gemaakt met tabaksverbouw, waartoe Marijn
Adriaansz. uit Veere was overgezonden. Kiliaen wilde gedetailleerd op de hoogte
worden gehouden over de vorderingen in Rensselaerswijck. Zo schreef hij aan
Wolfert Gerritsz. niet te begrijpen dat Roelof Jansz. geen winterkoren had
kunnen zaaien omdat het land toch al beploegd was en klaagde hij dat hem niet
gemeld was hoeveel land men in 1631 had geoogst, hoeveel koren dat had
opgebracht en of dat voldoende was geweest voor het voeden van mens en dier.
In 1632 begonnen de moeilijkheden met de
Amsterdamse kamer die het (tegen betaling) gebruik maken van Compagniesdienaren
verbood en ook geen levensmiddelen wilde uitreiken aan de kolonisten, ook al
zouden in ruil daarvoor producten uit Rensselaerswijck worden geleverd.[44]
In 1633 werd door de indianen het vee in de kolonie gedood uit wraak tegen wreedheden begaan door de
Compagniescommies op fort Oranje (Hans Jorisz. Hontham). Toch kwam
Rensselaerswijck die slag weer te boven. Een lichtpunt was de aankomst van
Kiliaens neef Wouter van Twiller die vanuit Nieuw Amsterdam toezicht hield op
het reilen en zeilen in Rensselaerswijck. Na zijn komst ging het weer beter. In
1635 kwam een derde boerderij in bedrijf. De opbrengst van het land toonde al
een overschot, dat op last van directeur Van Twiller aan hem moest worden
verkocht “ten behoeve van ’t volck van de Compagnie”.
In 1636 zond Kiliaen een eigen schip, “De
Rensselaerswijck” met 38 nieuwe kolonisten naar Nieuw Nederland omdat de
Amsterdamse kamer te lang draalde met het regelen van vervoer. Inmiddels kon de
kolonie wat de landbouw betreft als geslaagd worden beschouwd. Jaarlijks werd
de oogst groter. Ook de zorg van Kiliaen voor de opbouw van de veestapel –
belangrijk voor de voeding en als trekkracht - droeg daaraan bij. Overigens kocht hij ook overtallig vee van
de Compagnie (Van Twiller hielp hem daar later bij). In 1631 liet hij zelfs vee
van een Compagniesboerderij te Nieuw Amsterdam naar zijn kolonie wegvoeren met
het argument dat hij de Compagnie daarvoor een pachtsom zou betalen. De
veestapel in Rensselaerswijck (22 paarden, 40 stuks rundvee, varkens en
schapen) bestond toen in hoofdzaak uit dieren van de Compagnie. De
omstandigheid dat hij nog bewindhebber was (en daarom waarschijnlijk geen
tegenstand ontmoette van directeur Minuit) moet op sommige bewindhebbers een
onaangename indruk hebben gemaakt, vandaar waarschijnlijk een later verbod door
de Amsterdamse kamer om nogmaals vee weg te voeren naar Rensselaerswijck.[45]
Ondanks het floreren van de kolonie kwam de
tabaksteelt er nog niet van de grond en Marijn Adriaensz. moest naar een andere
baan omzien. Vis was er echter in voldoende hoeveelheid te vangen en Kiliaen
bevorderde die vangst van meet af aan om voldoende voedsel te garanderen. Zo
stuurde hij in 1631 zeventien pond “Seylgaren om netten van te breyden”. Voor
wat de controle op de kolonie betrof verliet Kiliaen zich aanvankelijk op
mannen die hun betrekking bij de Compagnie (mede) aan hem te danken hadden,
zoals Krol, Pos en fiscaal Notelman. Na de indianenaanval op Rensselaerswijck
in 1633, toen de situatie er hopeloos leek, was de positie van zijn neef Van
Twiller als directeur van Nieuw-Nederland voor Kiliaen van cruciaal belang. Het
wekt dan ook geen verwondering dat hij Van Twiller door dik en dun verdedigde
tegen de steeds toenemende klachten over diens gedrag. Wel maande Kiliaen hem
dringend om op zijn gedrag te letten: “Weest
religieus… matich… getrouw… neerstich… voorsichtich… nedrich…
patientich…Vertrouwt op Godt… Het welck soo doende sal een vloeck U in
segeninghe veranderen ende de lasteringen tot eere gedijen. Amen”.[46]
In 1634 werd Jacob Planck benoemd tot schout
in Rensselaerswijck als opvolger van de in 1632 aangestelde Rutger Hendricksz..
Planck was de eerste die zich volledig aan zijn bestuurstaken kon wijden en
geen neventaken moest vervullen. Toch zou hij zijn werk niet naar volle
tevredenheid doen.[47]
Toen Van Twiller in 1637 als directeur werd
opgevolgd door Willem Kieft was het met de invloed van Kiliaen op het bestuur
van Nieuw Nederland gedaan. In hetzelfde jaar stuurde hij opnieuw kolonisten
over, vooral om nogmaals de tabaksteelt te beproeven. Ook zijn 18-jarige
achterneef Arent van Curler werd meegezonden, die als assistent van Planck zijn
oom regelmatig van informatie moest voorzien. Van Curler nam als hoofd van een
driemanschap in mei 1639 het plaatselijk bestuur van de kolonie over.
De vestiging door Johan Maurits van Nassau
van een krachtig bestuur in Brazilië bracht daar rust en leidde tevens tot
nieuwe aandacht voor Nieuw Nederland, waar die rust nog ver te zoeken was als
gevolg van de Engelse en Zweedse
expansiedrang. Binnen de WIC werd beraadslaagd over nieuwe voorwaarden
om mensen naar het gebied te trekken, resulterend in discussies over herziening
van de “Vrijheden” van 1629. Zoals boven vermeld slaagde Kiliaen erin zijn
rechten te behouden. In Rensselaerswijck ging het allengs minder naar wens.
Ongehoorzaamheid aan de door de patroon gestelde regels en aan de door hem
gestelde overheden kwam vaak voor, alsmede verboden handel (te eigen behoeve).
Ook stak het Kiliaen dat de boeren hun knechts verhoging van daglonen gaven zonder hem erin te kennen, des te
kwalijker toen bleek dat daarmee de zwijgzaamheid over verboden handelingen
werd gekocht tegenover de patroon en zijn vertegenwoordigers. Het leidde bij
Kiliaen tot het geven van nog meer en gedetailleerder instructies, waarbij ook
het zielenheil van de bevolking niet uit het oog werd verloren. Zijn wens tot
aanstelling van een predikant kon worden gerealiseerd met het in dienst nemen
van Johannes Megapolensis, die in 1642 in Rensselaerswijck arriveerde.
Het contract met Planck was in 1637 niet
verlengd en na een interim-periode, waarin o.a. Arent van Curler de functie
waarnam, werd in 1641 Adriaen van der Donck benoemd als nieuwe “officier”
(schout). Hij had in Leiden rechten gestudeerd, wilde ‘de wijde wereld in’ en
benaderde Kiliaen. Deze wilde hem graag contracteren; wellicht zag Kiliaen al
dat de man capaciteiten bezat en hoopte hij dat een officier met universitaire
opleiding de status van Rensselaerswijck zou verhogen. Van der Donck werd als
schout verantwoordelijk voor het plaatselijke bestuur, maar moest ook tal van
speciale opdrachten vervullen voor Kiliaen, o.a. het traceren van deserteurs (contractanten
die niet kwamen opdagen in de kolonie) Van der Donck zou de functie drie jaar
lang vervullen.[48]
Langzaam breidde de kolonie zich uit. Het
aantal boerderijen nam toe, nieuwe kolonisten, onder wie ook handwerkslieden,
werden aangetrokken, de veestapel groeide, de bonthandel kon vanaf 1640 zonder
restricties worden voortgezet en ook de tabaksteelt kwam op gang. In 1641 lukte
het Kiliaen de toekomst van de kolonie voor zijn erfgenamen veilig te stellen.
Ondanks het nog slepende conflict met Blommaert en De Laet over de uit het
patroonschap voortvloeiende rechten gaven de Staten-Generaal hem het volledig
recht om bij testament over de kolonie te beschikken (…Hebben Hare Hoog: MO:
den Supplt in plaetse vande voorsz approbatie by hem versocht geaccordeert ende
geconsenteert veniam testandi om by
uijtterste wille nae syn welgevallen van het voorsz. Erff leen ofte
leengoederen te mogen disponeren ...).
Bij zijn overlijden in oktober 1643 kon
Kiliaen een redelijk bestuurd en ontwikkeld bezit nalaten aan zijn opvolger als
patroon, zijn oudste nog levende zoon Johan. Onder Kiliaens patroonschap zijn
tenminste 14 schepen met immigranten in Nieuw-Nederland aangekomen en bij zijn
overlijden telde Rensselaerswijck het in die tijd niet geringe aantal van
ongeveer honderd personen.[49]
Uit het bovenstaande rijst een grote
persoonlijke betrokkenheid op bij de kolonie die Kiliaen in 1629 had gesticht.
Gevoel voor detail kan hem daarbij bepaald niet worden ontzegd. Minutieus gaf
hij aan waar bepaalde gebouwen moesten worden gesticht en hoe die er uit
moesten zien; hij wilde op afstand zijn bezit zo direct mogelijk besturen.
Juist omdat dat niet anders kon dan via uitgebreide instructies aan zijn
vertegenwoordigers ter plaatse weten we vrij gedetailleerd over zijn wensen en plannen. Uit de nagelaten documenten komt een
man tevoorschijn die inderdaad, zoals Jessurun stelt, godvruchtig is, ijverig,
vasthoudend, gezagsgetrouw, goede trouw vooropstellend, eerlijk, vredelievend
en wat niet meer. Maar we moeten daarbij niet vergeten dat het in veruit de
meeste gevallen gaat om documenten van en aan hemzelf, die in eerste instantie
door hemzelf zijn bewaard. IJdelheid mag hem waarschijnlijk ook niet worden
ontzegd, waarvan mogelijk zijn herhaalde bezwaar tegen toekenning van de 19e,
dus ‘minste’ stoel in de vergadering der ‘XIX’ getuigt. Interessant ware het
geweest als we over documenten van anderen, tegenstanders ook, konden
beschikken, die wellicht andere kanten van zijn karakter konden belichten.
Zeker is in ieder geval dat hij er niet voor terugschrok zijn belangen na te
streven via zijn gezag en ingangen als
bewindhebber van de WIC en commissaris voor Nieuw Nederland. Het is zeker
mogelijk dat zijn koopmansgeest in deze gevallen kwaad bloed heeft gezet bij
zijn medebewindhebbers en aanleiding is geworden voor de latere verwijdering.
Die koopmansgeest uitte zich in een mate, die
in onze tijd vraagtekens zou oproepen. Het naar zich toe interpreteren van
regels en voorschriften kan hem niet euvel worden geduid, maar het
verstrengelen van de belangen van de Compagnie, waarvan hij bestuurder was, en
zijn eigen belangen zou in de huidige tijd niet worden getolereerd, vooral niet
als dat eigenbelang niet duidelijk in het verlengde lag van dat van de
Compagnie, zoals in het geval van het wegvoeren van Compagniesvee naar
Rensselaerswijck, ook al werd dat vergoelijkt met het voornemen daarvoor te
betalen. Kiliaen leefde echter niet in onze tijd en meer studie over de
zeventiende-eeuwse moraal dan in dit kader mogelijk is is nodig om een goed
oordeel over diens handelen te kunnen vellen.
Wat daarvan ook zij, zeker is in ieder geval dat Kiliaen met hart en
ziel de belangen van zijn kolonie Rensselaerswijck – die natuurlijk ook de
zijne waren - heeft gediend en door zijn aanhoudende bemoeienis, zowel zelf als
via hem goed gezinde vertegenwoordigers, tot bloei heeft gebracht. Daarbij is
van doorslaggevend belang geweest zijn bereidheid steeds weer te investeren,
conform zijn visie dat de ‘cost voor de baet’ uitgaat en winst pas op langere
termijn mogelijk zou zijn. Door zijn sterke betrokkenheid had hij ook oog voor
de mensen achter de werkzaamheden, zonder zijn eigenbelang overigens uit het
oog te verliezen; hij had bovendien de meesten zelf aangenomen.
[1] Uit het Memoriaal van Kiliaen van Rensselaer (fol.9 verso en 10), zoals vermeld in J. Spinoza Catella Jessurun, Kiliaen van Rensselaer van 1623 tot 1636 ('s-Gravenhage 1917) bijlage 5.
[2] De naam Rensselaerswijck voor de kolonie wordt voor het eerst aangetroffen in het contract met Gerrit de Reux,, als beoogd boer in de kolonie, opgetekend op 15 juni 1632 (Aldus J. Spinoza Catella Jessurun, Kiliaen van Rensselaer van 1623 tot 1636 129
[3] In een aantal publicaties - zie bijvoorbeeld N. de Roever, ‘Kiliaen van Rensselaer en zijne kolonie Rensselaerswijck’ in Oud-Holland 8 (1890) 29-74 en 241-296, aldaar 32 en O.A. Rink, Holland on the Hudson. An economic and social history of Dutch New York (Ithaca, London, Cooperstown, New York 1986) 192 – wordt vermeld dat Kiliaen één zuster had, Maria. Zij trouwde in 1605 met Ryckert van Twiller en hun zoon Wouter was van 1633 tot 1638 Directeur van Nieuw Nederland. Er was echter nog een oudere zuster, Engel, die de grootmoeder zou worden van Arend van Curler, later commies te Rensselaerswijck – zie G. Beernink, De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New-York (Arnhem 1916) 143 -.
[4] In 1938 werd deze zerk op
initiatief van een Amerikaanse nazaat ingemetseld in de kerkmuur. Hiervan wordt
melding gemaakt in een artikel van F. Kragt Hz. In de Nijkerksche Courant van
22 juni 1938. Een copie van dit artikel berust bij het gemeentearchief te
Nijkerk.
[5] G. Beernink, De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr.
Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst 144
[6] O.A. Rinck, Holland on the Hudson 192-193 en N. de
Roever, Kiliaen van Rensselaer en zijne
kolonie Rensselaerswijck 32-33.
[7] G. Beernink, De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr.
Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst 144: De
compagnon was Jacques l’Hermite de Jonge die in 1613 trouwde met Theodora van
Wely. Zowel hij als Eleonora Haukins, sinds 1616 weduwe van Johan van Wely,
investeerden later aanzienlijke sommen in de West-Indische Compagnie.
[8] ibidem 145. De Van Bylers
waren verwant aan de Van Twillers, die een jongere tak van die familie vormden
(zie over Van Twiller ook noot 2).
[9] ibidem. De moord geschiedde
in het hof te Den Haag door twee paleisbedienden. Het lijk van Johan werd pas
twee maanden later gevonden “in den asput van het Hoff”, aldus Constantijn
Huygens in zijn dagboek.
[10] J. Spinoza Catella Jessurun,
Kiliaen van Rensselaer van 1623 tot 1636 81
[11] Aldus J.A. Jacobs,
‘Johannes de Laet en de nieuwe Wereld’ 115, O.A. Rink, Holland on the Hudson 195,
L. van Nierop, ‘Rensselaerswijck 1629-1704’ in
Tijdschrift voor Geschiedenis
60 (1949) 1-39 en 187-219, aldaar 219. In het gemeentearchief van Nijkerk
berust een notitie, afkomstig van het gemeentearchief van Hasselt, dat Kiliaen
op 7 oktober 1643 in de Oude kerk te Amsterdam ten grave is gedragen. Het zesde
jaarverslag (1922) van de Vereeniging
Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum vermeldt op blz. 56, in een bijlage
over bruikleen van de ‘Van Rensselaer Bowier papers’, abusievelijk dat Kiliaen overleed in 1646. De in bruikleen
gekregen brieven bestrijken de periode 1630-1643
[12] Ibidem 2-9: tijdens
zijn poging om voor de VOC een
westelijke route naar Indië te vinden had Henry Hudson in 1609 als eerste de
kusten van Nieuw Nederland geëxploreerd. In 1614 werd door de Staten-Generaal
octrooi verleend aan “De Compaignie van Nyeuw-Nederlant” voor de periode
1615-1618. Dit octrooi werd niet verlengd.
[13] Ibidem 12-13:De uitbreiding
betrof o.a. de lucratieve zoutvaart op Punta d’Araya (Venezuela)
[14] W. Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz..Een Hollands
weeskind op zoek naar zichzelf, 1607-1647 (Nijmegen 1995) 497
[15] Ibidem 23
[16] Deze memorie is opgenomen
als bijlage A bij N. de Roever, ‘Kiliaen van Rensselaer en zijne kolonie
Rensselaerswijck’. Zie ook J. Spinoza Catella Jessurun, Kiliaen van Rensselaer van 1623 tot 1636 26
[17] J.G. van Dillen betoogt in
zijn artikel ‘De West-Indische Compagnie, het calvinisme en de politiek’
in Tijdschrift
voor Geschiedenis 74 (1961) 169, dat de Amsterdamse kamer van de vele
territoria van de WIC de meeste belangstelling had voor Guinea en Angola omdat daar niet
gekoloniseerd hoefde te worden en omdat dit gebied kostbare handelswaar als
goud en slaven leverde (De vroegere morele bezwaren tegen de slavenhandel waren
weggeëbd sinds predikanten als Udemans hadden betoogd dat de slavernij niet
onchristelijk was).
[18] Gillis Houset en Jacob
Jansz. werden naar de streek rond fort Oranje gezonden en rapporteerden dat die
zeer geschikt zou zijn voor het voornemen van de beide opdrachtgevers
[19] Volgens L. van Nierop,
‘Rensselaerswijck 1629-1702’ in Tijdschrift voor Geschiedenis 60 (1947) 5, werd
de overeenkomst waarschijnlijk niet getekend maar wel gevolgd.
[20] J. Spinoza Catella
Jessurun, Kiliaen van Rensselaer en zijne
kolonie Rensselaerswijck 37-38
[21] Ibidem 163. Er waren
vijftien kandidaten voor vijf te vervullen plaatsten
[22] Ibidem 29
[23] Ibidem 34, 41, 42 en 54
[24] V.C. Bachman, Peltries or
plantations. The economic policies of the Dutch West India Company in New
Netherland 1623-1639 (Baltimore and London 1969) 118
[25] Ibidem. De ‘Vrijheden en
Exemptiën’ (artikel XV) gaven de patroons slechts een beperkt recht op de
huidenhandel: alleen op plaatsen waar de WIC niet vertegenwoordigd was en dan
tegen recognitie van 1 gulden per huid.
[26] Kiliaen gaat daarop
uitvoerig in in zijn Memorie van 25 november 1633, die als bijlage A is
opgenomen bij N. de Roever, ‘Kiliaen van Rensselaer en zijne kolonie
Rensselaerswijck’
[27] V.C. Bachman, Peltries or Plantations 117
[28] ibidem en J. Spinoza
Catella Jessurun, Kiliaen van Rensselaer
van 1623 tot 1636
[29] V.C. Bachman, Peltries or
Plantations: het hoofdstuk ‘Was the
“Vrijheden” obtained by fraud?’ 109-119
[30] ibidem 118-119. Voor fraude
zou kunnen pleiten, aldus Bachman, dat de WIC al twee jaar na de ‘Vrijheden’ de
patroonschappen weer wilde afschaffen, dat Blommaert kennelijk weinig scrupules
had, dat mogelijk Godijn, Blommaert en Van Rensselaer hun functies misbruikten
om toestemming te krijgen een groot aantal bonthuiden uit Nieuw-Nederland te
betrekken en dat mogelijk misbruik werd gemaakt van de euforie na het veroveren
van de zilvervloot, toen er weinig aandacht was voor Nieuw-Nederland. Daar
staat tegenover dat de ‘Vrijheden’ nauwelijks afweken van die voor Guyana, dat
de mogelijkheden voor de patroons om illegale bonthandel te drijven beperkt
waren, dat het patroonschap van de bewindhebbers niet verdacht hoeft te zijn
omdat ze van meet af aan hadden gepleit voor kolonisatie door de WIC zelf, dat
de patroons werkelijk belang stelden in het ontwikkelen van een
landbouwkolonie, dat het onwaarschijnlijk is dat bewindhebbers als Burg en De
Laet zich zouden lenen tot een samenzwering tegen de Compagnie, dat het
onmogelijk zou zijn om een manifest schadelijk besluit door de WIC te laten
goedkeuren, dat de uiteindelijke vaststelling van de ‘Vrijheden’ geruime tijd
is bediscussieerd (van februari tot juni 1629) en dat de ‘Vrijheden’ werden
beschouwd als wettig tot stand gekomen.
[31] ibidem 103
[32] ibidem 110-112
[33] zie noot 26
[34] J. Spinoza Catella
Jessurun, Kiliaen van Rensselaer van 1623
tot 1636 35
[35] J.A. Jacobs, Een zegenrijk gewest 120
[36] ibidem 185
[37] V.C. Bachman, Peltries or plantations 117-118
[38] L. Kooymans, Vriendschap en de kunst van het overleven in
de zeventiende en achttiende eeuw (Amsterdam 1997) 40, 143, 144
[39] J.A. Jacobs, Een zegenrijk gewest 124-126
[40] L. van Nierop bericht in
‘Rensselaerswijck’ 5, dat Blommaert in 1631 de helft van zijn aandeel
aan zijn zwager Adam Bessels overdeed;
Burg verkocht in 1632 de ene helft van zijn aandeel aan De Laet en de andere
helft aan Toussaint Muyssart. Na de dood van Godijn in 1636 werden diens
schoonzoons Jacob en Hendrick Trip eigenaar van de ene helft van zijn aandeel
en Kiliaen van de andere helft. Kiliaen verkreeg in 1640 het deel van de
gebroeders Trip en bezat van toen af 3/5 van de aandelen.
[41] J.A. Jacobs, Een zegenrijk gewest 123-124
[42] J.A. Jacobs, ‘Johannes de
Laet en de Nieuwe Wereld’ 113-115
[43] N. de Roever, ‘Kiliaen van
Rensselaer en zijne kolonie Rensselaerswijck’ bijlage D
[44] Kiliaen achtte een goede
samenwerking tussen zijn kolonisten en de Compagnie van groot belang “opdat de
eene handt de andere wasschende, sij beyde mogen reyn worden”, aldus L. van
Nierop, ‘Rensselaerswijck’ 13.
[45] Zie hierover ook L. van
Nierop, ‘Rensselaerswijck’ 13-15
[46] Missive van Kiliaen van
Rensselaer aan Wouter van Twiller, Directeur in Nieuw Nederland, 23 april 1634.
Opgenomen als bijlage G bij N. de Roever, ‘Kiliaen van Rensselaer en zijne
kolonie Rensselaerswijck’
[47] Voor het bovenstaande in
dit hoofdstuk werd voornamelijk geraadpleegd J. Spinoza Catella Jessurun, Kiliaen van Rensselaer van 1623 tot
1636 41-153. Voor het navolgende,
de periode na 1636, werd vooral geraadpleegd N. de Roever, ‘Kiliaen van
Rensselaer en zijne kolonie Rensselaerswijck’
251 e.v.
[48] A.L. van Gastel, ‘Adriaen
van der Donck als woordvoerder van de Nieuw-Nederlandse bevolking’ in Jaarboek
van het Centraal Bureau voor Genealogie 50 (1996) 89-107
[49] L. van Nierop,
‘Rensselaerswijck’ 219
Bachman,
V.C., Peltries or plantations. The
economic policies of the Dutch East
India
Company in New Netherland 1623-1639 (Baltimore and London 1969)
Beernink, G., De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van
Slichtenhorst en zijn vader Brant van
Slichtenhorst, stichter van Albany,
hoofdstad van den staat New-York (Arnhem 1916)
Dillen, J.G. van, ‘De West-Indische
Compagnie, het calvinisme en de politiek’
in Tijdschrift voor Geschiedenis
74 (1961) 145-271
Frijhoff, W., Wegen van Evert Willemsz.. Een Hollands weeskind op zoek naar
zichzelf, 1607-1647 (Nijmegen 1995)
Gastel, A.L. van, ‘Adriaen van der Donck als woordvoerder van de Nieuw-
Nederlandse bevolking’, Jaarboek
van het Centraal Bureau voor
Genealogie 50 (1996) 89-107
Jacobs, J.A., ‘Johannes de Laet en de nieuwe
wereld’, Jaarboek van het
Centraal Bureau voor Genealogie 50 (1996) 109-130
Jacobs, J.A., Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw
(Amsterdam 1999)
Jessurun,
J.S.C., Kiliaen van Rensselaer van 1623
tot 1636 (’s-Gravenhage
1917)
Kooymans,
L., Vriendschap en de kunst van het
overleven in de zeventiende en
achttiende eeuw (Amsterdam 1997)
Kragt
Hz., F., ‘De Grafsteen der Rensselaers’ in de Nijkerksche Courant van 22
juni 1938; copie in gemeentearchief
Nijkerk
Laer, A.F. van, New York historical manuscripts: Dutch Kenneth Scott and
Kenn Stryker-Rodda ed.
(Baltimore 1974) Volume I
Nierop,
L. van, ‘Rensselaerswijck 1629-1704’ in Tijdschrift
voor Geschiedenis
60
(1949) 1-39 en 187-219
Rink, O.A., Holland
on the Hudson. An economic and social history of Dutch
New York (Ithaca,
London, Cooperstown, New York 1986)
Roever,
N. de, ‘Kiliaen van Rensselaer en zijne kolonie Rensselaerswijck’,
Oud-Holland
8 (1890)
Vereeniging
Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam,
Zesde
Jaarverslag (1922)
Vries,
W. de, ‘De Van Rensselaer’s in Nederland’ in De Nederlandsche Leeuw
66 (1949); overdruk in gemeentearchief Nijkerk
Wieder,
F.C., De stichting van New York in juli
1625. Reconstructies en nieuwe gegevens ontleend aan de Van Rappard documenten
('s-Gravenhage 1925)
RLJT 220601