DE WEST-INDISCHE COMPAGNIE EN HAAR BELANGEN IN NIEUW-NEDERLAND
EEN OVERZICHT (1621-1664)

Johan van Hartskamp

Inleiding

De West-Indische Compagnie was een van de instrumenten voor de overzeese expansie van Nederland. De achterliggende doelstelling was, de positie van Spanje en Portugal aan te tasten in de niet-Europese wereld. De begroting van de West-Indische Compagnie is nooit gesloten geweest en de schulden werden steeds groter. Aanvankelijk kregen de operaties in Brazilië prioriteit, maar in de latere jaren van het bestaan van de West-Indische Compagnie werd Nieuw-Nederland steeds belangrijker. De vraag is echter welk belang de West-Indische Compagnie heeft gehad in Nieuw-Nederland.

De voorlopers van de West-Indische Compagnie

De Nederlandse handelskooplieden kwamen pas aan het einde van de zestiende eeuw naar Noord-Amerika. Andere landen zoals Engeland en Frankrijk waren al langer in dit gebied aanwezig. Waarom de Noord-Nederlandse kooplieden voor 1590 geen interesse toonden in de lucratieve handel buiten Europa, is een vraag die veel historici in heden en verleden heeft beziggehouden. 1 Natuurlijk zijn er wel verklaringen te geven voor deze afwezigheid. Vanaf de vijftiende eeuw waren de zeevaarders en de kooplieden uit de Noordelijke Nederlanden, en dan voornamelijk uit de gewesten Holland, Zeeland en West-Friesland, gespecialiseerd in het vervoer van bulkgoederen. Zowel de Oost-Zeehandel als de zouthandel tussen Noord- en Zuid Europa werden door de Nederlanders gedomineerd. Europa was groot genoeg voor de kooplieden uit de Republiek. Een ander deel van de verklaring voor de relatief late expansie van de Nederlandse handel is te vinden in de door Filips II opgeworpen belemmeringen voor de handel en scheepvaart van de Republiek. De Republiek begon pas handelsactiviteiten buiten Europa te ontwikkelen toen de handel binnen Europa zijn hoogtepunt had bereikt.

Nadat Antwerpen in 1585 door de Spanjaarden was veroverd, trokken veel handelaren, ambachtslieden en geleerden naar de Republiek om zich daar blijvend te vestigen. Dankzij deze vluchtelingen werden onbekende takken van nijverheid en kennis over navigatie, geografie en cartografie in de Republiek geïntroduceerd. Om concurrentie van andere kooplieden tegen te gaanen om risico’s te delen, sloten kooplieden zich aan het begin van de zeventiende eeuw in compagnieën aaneen.

De scheepvaart op Nieuw-Nederland ontstond min of meer toevallig. In 1609, het jaar waarin de Republiek een wapenstilstandsverdrag met Spanje had gesloten, namen de bewindhebbers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de Engelse ontdekkingsreiziger Henry Hudson in dienst om een noordelijke zeeweg naar Azië te zoeken. 2

Hudson was door de VOC in dienst genomen om een route te vinden via het noorden naar het oosten. Maar Hudson koos onderweg een westelijke route, en bereikte met zijn schip de Halve Maen uiteindelijk de oostkust van Noord-Amerika, waar hij een langgerekt eiland en een brede rivier aantrof. Deze rivier volgde hij negentig mijl stroomopwaarts. Toen Hudson terug was in Engeland van zijn reis schreef hij zijn opdrachtgevers, de VOC, een brief om zijn bevindingen aan de oostkust van Amerika door te geven. De VOC speelde deze informatie door naar Amsterdamse kooplieden omdat de VOC zelf niet geïnteresseerd was en de Amsterdamse kooplieden wel. Deze zonden dan ook schepen naar Noord-Amerika. De bonthandelaar Aert Vogels behoorde tot een van de eerste kooplieden die handelden in Nieuw-Nederland aan de rivier de Hudson. De handel, voornamelijk bonthandel met Indianen, was lucratief, zodat ook andere kooplieden werden aangetrokken.

Adriaen Block was een van de schippers die op Nieuw-Nederland voer. In 1611 ging hij er voor het eerst heen en in 1613 ondernam hij al zijn derde reis. De kooplieden die Adriaen Block op reis stuurden waren Arnout Vogels, Francoys Pelgrom, Steffen Pelgrom, Leonard Paulus, Hans Hunger en Lambert van Tweenhuysen, allemaal leden van de kleine groep Lutheraanse kooplieden in Amsterdam. 3 Lambert van Tweenhuysen, een van de leidende figuren in de bonthandel, wist deze kooplieden te verenigen in een compagnie die als eerste handel dreef op het gebied rond de rivier de Hudson. Deze compagnie wordt ook wel de Van Tweenhuysen Compagnie genoemd.

In het voorjaar van 1613 was Block voor de derde keer in Nieuw-Nederland toen plotseling nog een Amsterdams schip aan kwam varen op de Hudson. Adriaen Block was zeer verrast. De schipper Hans Jorisz. Hontom bood, in opdracht van zijn baas Thijs Volckertsz. Mossel, de Indianen twee keer zo veel als Adriaen Block voor een beverhuid. Uiteindelijk werden de huiden verdeeld tussen beide schippers. Mossel was lid van de Hans Clasz. Compagnie die in handen was van Hans Claesz., Barent Sweers, Arnout van Liebergen, Wessel Schenk, Jan Holscher (Hulscher) en Jacob Bontenos. 4

Adriaen Block maakte zich niet druk om deze concurrentie omdat hij een patent had van Prins Maurits. De Van Tweenhuysen Compagnie claimde daarom het alleenrecht op de Noord-Amerikaanse handel, ook al had had zij geen patent van de Staten-Generaal. De Hans Claesz. Compagnie had dit patent wel. In 1614 kwam er een einde aan de strijd tussen de Van Tweenhuysen Compagnie en de Hans Claesz. Compagnie. Beide Compagnieën gingen over in de Compagnie van Nieuw-Nederland, ook wel de Nieuw-Nederland Compagnie. Deze Compagnie kreeg van de Staten-Generaal voor vier jaar een monopolie voor de vaart op Nieuw-Nederland. Na het aflopen van het octrooi in 1618 leidde de Compagnie van Nieuw-Nederland een sluimerend bestaan tot zij in 1621 werd opgeheven. Voormalige participanten van de Compagnie van Nieuw-Nederland zetten de handel nog enige tijd als privé-onderneming voort. Gedurende deze jaren was men al volop bezig met het maken van plannen voor de oprichting van een West-Indische Compagnie. Deze plannen werden in 1621 verwezenlijkt en zo kwam er een einde aan de vrije handel op Nieuw-Nederland.

De oprichting van de West-Indische Compagnie

De gedachten om een compagnie te stichten voor de handel en scheepvaart in het Atlantische gebied werd al geopperd bij het begin van deze handel en scheepvaart. De eerste die de oprichting van een West-Indische Compagnie voorstelde, was Willem Usselincx, een in Antwerpen geboren koopman die zich in 1591 te Middelburg had gevestigd. 5 Volgens Willem Usselincx zaten er twee grote voordelen aan het oprichten van een compagnie voor het Atlantisch gebied. Ten eerste zou een West-Indische Compagnie een belangrijke rol kunnen spelen in de strijd tegen Spanje. De strijd zou zich gaan verplaatsen van de Republiek naar de verre gewesten en de Spaanse hegemonie zou aangevallen kunnen worden terwijl de welvaart in de Republiek zou toenemen. Ten tweede kon een West-Indische Compagnie volgens Usselincx koloniën stichten in de nieuwe wereld waar inwoners uit de Republiek en andere calvinisten zich konden vestigen. Zo zou ‘het nieuwe geloof’ zich over de wereld kunnen verspreiden. In een volmaakte symbiose zouden deze koloniën de Republiek kunnen voorzien van grondstoffen terwijl de Republiek op haar beurt de koloniën de benodigde producten zou kunnen leveren.

De plannen voor een West-Indische Compagnie werden aanvankelijk in de ijskast gezet omdat er geen draagvlak voor was. Usselincx had in 1600 zijn plannen op papier gezet en verstuurd naar de Staten-Generaal, naar vroedschappen van belangrijke steden en naar een aantal invloedrijke personen. 6 Zijn plan werd enthousiast ontvangen in de gewesten van Holland en Zeeland, maar de Staten-Generaal reageerden afwijzend.

Dankzij de inspanning van onder andere Plancius riepen de Staten van Holland in 1606 een commissie in het leven die moest onderzoeken of de oprichting van de West-Indische Compagnie haalbaar was. Deze commissie kwam hetzelfde jaar nog met een rapport dat zowel adviezen als een concept-octrooi bevatte. In de Staten-Generaal werd ook gewerkt aan de totstandkoming van een West-Indische Compagnie. De Staten van Zeeland voelden, net zoals de Staten van Holland, ook voor de oprichting van de West-Indische Compagnie maar dan niet volgens de plannen van Usselincx maar volgens het concept-octrooi van de Staten van Holland. Het concept-octrooi van de Staten van Holland was gebaseerd op de handel en de scheepvaart in het Atlantisch gebied en leek als twee druppels water op het octrooi van de VOC. Zoals het er naar uitzag was, in september 1608, de oprichting van de West-Indische Compagnie slechts een kwestie tijd. Maar ontwikkelingen in de oorlog met Spanje veranderden de zaak.

De strijd tussen Spanje en de Republiek nog steeds niet ten einde. De landen waren met elkaar in overleg over vrede. Filips III was bereid de Republiek als soevereine staat te erkennen als de Republiek bereid was zich terug te trekken uit Azië en het Atlantische gebied. In de Republiek wilde men ook vrede maar de prijs van de Spaanse eisen was te hoog. In Azië was de hele specerijenhandel in handen van de VOC en het was onwaarschijnlijk dat de Staten-Generaal de Aziatische bezittingen op zou geven in ruil voor vrede. In april 1607 kwamen Spanje en de Republiek een wapenstilstand overeen voor acht maanden voor het Europese vasteland. Bij de vredesbesprekingen weigerde Van Oldenbarnevelt concessies te doen wat betreft Azië, maar hij haalde wel de plannen voor een West-Indische Compagnie van tafel. Op 9 april 1609 ondertekenden afgevaardigden van Spanje en de Republiek in Antwerpen een wapenstilstand voor de duur van twaalf jaar: het Twaalfjarige Bestand. Een definitieve vredesregeling werd er niet bereikt. De kwestie Azië bleef het grote struikelblok.

De Republiek had hiermee een duidelijke overwinning behaald op Spanje, want de Republiek was nu een geaccepteerde koloniale mogendheid en bleef de rechten van de handel op Azië houden. 7 Maar de kans op een Atlantische compagnie leek verkeken. Pas toen de oorlogspartij in de Republiek weer de overhand kreeg en Van Oldenbarnevelt op het schavot de dood had gevonden (1619), waren de voornaamste hindernissen voor de oprichting van de West-Indische Compagnie uit de weg geruimd.

Op 18 september 1618 werd de oprichting van de West-Indische Compagnie opnieuw op de agenda geplaatst van de Staten van Holland. Het concept-octrooi dat in 1606 door de Staten van Holland was gemaakt, werd opgefrist en naar de Staten-Generaal gezonden. In 1621 gingen de Staten-Generaal over tot de oprichting van de West-Indische Compagnie. Op 3 juni 1621 stemde de vergadering in met het voorliggend concept-octrooi en was de oprichting van de West-Indische Compagnie een feit. Het charter van de Compagnie telde 45 artikelen, waarin de structuur en de bevoegdheden van de organisatie waren vastgelegd. De inhoud van het stuk vertoonde opmerkelijk veel overeenkomsten met het VOC-octrooi van 1602. De geldigheidsduur van het octrooi werd vastgesteld op 24 jaar. Daarna zouden de Staten-Generaal zich opnieuw moeten uitspreken over het al dan niet voortbestaan van de West-Indische Compagnie.

In het octrooi was bepaald dat de Compagnie het monopolie bezat op de handel en scheepvaart op Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika alsmede op de eilanden in de Atlantische Oceaan, gelegen tussen de twee meridianen, getrokken over Kaap de Goede Hoop en het oostelijke uiteinde van Nieuw-Guinea. 8 Het bestuur van de West-Indische Compagnie was verdeeld over de volgende vijf kamers: Amsterdam, Zeeland, Maze, Noorderkwartier en Stad en Lande. Het hoogste bestuurscollege van de West-Indische Compagnie was in handen van de Heren Negentien. De Heren Negentien vergaderden twee tot drie maal per jaar. Tijdens deze vergaderingen werden onder mee de beleidslijnen voor de komende periode vastgesteld, de scheepsuitredingen per kamer vastgesteld en de hoogte van dividenduitkeringen bepaald. 9 De inschrijving voor de West-Indische Compagnie verliep niet vlekkeloos. Er moest zelfs propaganda gemaakt worden in het buitenland om voldoende kapitaal bijeen te verkrijgen. Pas in 1623 had de West-Indische Compagnie voldoende kapitaal om activiteiten te ontplooien.

De activiteiten die de West-Indische Compagnie ondernam waren een geducht wapen in de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen in het Atlantische gebied. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de West-Indische Compagnie, die gefundeerd was op de pijlers kaapvaart, kolonisatie en koophandel, in de geschiedschrijving doorgaans wordt afgeschilderd als een doelbewust door de Staten-Generaal gecreëerd instrument ter bestrijding van de vijand. Een beeld dat in belangrijke mate is bepaald door de oorlogshandelingen die de West-Indische Compagnie na 1623 heeft ontplooid. De belangrijkste doelstelling van het octrooi was het ontplooien van handel en scheepvaart in West-Indië en Afrika. Daarnaast had de West-Indische Compagnie het recht om bondgenootschappen te sluiten, rechtspraak te plegen, koloniën te stichten en een krijgsmacht te onderhouden.

Tijdens het bestaan van de West-Indische Compagnie moesten de bewindhebbers steeds vaker voor hulp aankloppen bij de Staten-Generaal, met het gevolg dat de landsregering steeds meer invloed kreeg op het beleid van de Compagnie. Zoals gezegd leek het octrooi van de West-Indische Compagnie veel op het octrooi van de VOC uit 1602. Er was echter een belangrijk praktisch verschil. De West-Indische Compagnie moest opereren in de politieke situatie van het Atlantisch gebied, en die was totaal anders dan de politieke situatie in Azië. In het Atlantische gebied waren Spanje en Portugal duidelijk aanwezig en een uitbreiding van de Nederlandse handel en scheepvaart betekende dus automatisch strijd met Spanje en Portugal.

De West-Indische Compagnie in Nieuw-Nederland

Willem Usselincx, de geestelijk vader van de West-Indische Compagnie, had bij de oprichting van deze organisatie het oprichten van landbouwkoloniën in Amerika voor ogen. Zijn voorkeur ging uit naar Guyana in het huidige Zuid-Amerika. Het ging echter anders. De voorstellen van Usselincx werden van tafel geschoven ten gunste van het concept-octrooi van de Staten van Holland. Hierin werden de kaapvaart en de verovering van Brazilië beschreven als de kernactiviteiten van de West-Indische Compagnie. Kolonisatie was in dit concept-octrooi een veel minder prominente doelstelling.

De ontdekkingen van Henry Hudson in 1609 hadden geleid tot de oprichting van verschillende factorijen op de Noord-Amerikaanse kust, die te zamen de kolonie Nieuw-Nederland zouden gaan vormen. De eigendomsrechten van de verschillende handelsposten en volksplantingen die Zeeuwen in Guyana en Amsterdammers, in Noord-Amerika hadden gesticht, gingen na de oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621, automatisch over op de nieuwe Compagnie. De bestuurders van de West-Indische Compagnie richtten zich vooral op Brazilië, maar ook Nieuw-Nederland moest ontwikkeld worden. Tot 1628 zijn er verschillende schepen met kolonisten in Nieuw-Nederland aangekomen om het gebied te bevolken. Vanaf 1629 zouden echter de meeste koloniën als patronaatschap, een door de West-Indische Compagnie in leen gegeven gebied aan een particulier, onder beheer van de oorspronkelijke stichters worden voortgezet. In ruil daarvoor moesten de patroons een bepaalde som aan cognitie betalen. Voor de West-Indische Compagnie was een dergelijke constructie voordeliger dan het zelf in beheer nemen van koloniën. 10

Toen de West-Indische Compagnie de bezittingen in Nieuw-Nederland van de Amsterdamse kooplieden overnam, telde de kolonie enkele semi-permanente factorijen. Van kolonisatie was nog geen sprake. De Amsterdamse kooplieden hadden alleen oog voor de handel met de Indianen. Bever- en ottervellen werden geruild tegen Europese goederen. De kolonisatie van Nieuw-Nederland was nog niet aan de orde en bovendien lag het zwaartepunt van de activiteiten van de West-Indische Compagnie zoals gezegd in het zuidelijke deel van het Atlantisch gebied. Pas na het verlies van Brazilië in 1654 werd de rol van Nieuw-Nederland binnen de West-Indische Compagnie belangrijker. 11

De Fransen en de Engelsen, die al voor de oprichting van de West-Indische Compagnie met de kolonisatie van de Amerikaanse oostkust waren begonnen, protesteerde fel tegen de kolonisatie-politiek van de bewindhebbers van de Compagnie. Deze wezen de bezwaren echter van de hand met het argument dat de Nederlanders als eersten met kolonisatie van het gebied rond de rivier de Hudson waren begonnen, op grond waarvan zij het eigendomsrecht hadden verworven. 12

Aan het einde van de jaren 1620 zat de West-Indische Compagnie in een moeilijke positie. De prijzen waren gedaald en de schulden begonnen toe te nemen. Binnen de West-Indische Compagnie waren er verschillende ideeën over Nieuw-Nederland. De vestiging van kolonisten bleef achter bij de behoefte. Kiliaen van Rensselaer wilde Nieuw-Nederland gaan koloniseren door gebruik van privé-kapitaal van vermogende mensen. Volgens Van Rensselaer moest de kolonie opengesteld worden voor initiatieven voor privé-handel, maar ook de invloed van de West-Indische Compagnie in

Nieuw-Nederland moest minder worden. De handel werd in 1628 door de West-Indische Compagnie vrijgegeven voor particulieren, afgezien van de bonthandel. De bonthandel bleef in handen van de West-Indische Compagnie. In 1639 werd de bonthandel echter wel vrijgegeven voor zowel de patronaten als de vrije kolonisten. De bonthandel werd ook vrijgegeven om de kolonisatie in Nieuw-Nederland te bevorderen. Het monopolie van de West-Indische Compagnie was hierdoor ten einde.

Rond 1628-1629 ging de West-Indische Compagnie zich richten op patronaatschappen met een agrarisch karakter. Hierdoor werd de weg voor particuliere patronaatschappen vrijgemaakt. Een particulier, ook wel patroon, kreeg een stuk land van de bewindhebbers in leen, dat hij ten eigen bate mocht exploiteren. Als tegenprestatie was de patroon verplicht zijn patronaatschap binnen drie jaar met minimaal vijftig kolonisten te bevolken. De patroon verwierf de jurisdictie over zijn kolonisten alsmede belastingvoordelen. Ten slotte kreeg de patroon het recht om langs de gehele oostkust handel te drijven. 13 Enkele particulieren die zich als patroon aandienden waren Samuel Blommaert, Samuel Godijn, Johannes de Laet, Michiel Pauw, Kiliaen van Rensselaer en David Pietersz. de Vries. Na tien jaar kwam men tot de conclusie dat het systeem van patronaatschappen mislukt was. Alleen Kiliaen van Rensselaer was het gelukt om een succesvol patronaatschap te vestigen.

Het vinden van kolonisten was moeilijk omdat de inwoners van de Republiek een goede levensstandaard hadden. Waarom zou men wegtrekken naar een onbekend land? Ook woonden er veel mensen in de Republiek die al eerder waren gevlucht uit hun eigen land en deze mensen wilden niet nog een keer een nieuw leven beginnen in weer een ander land. Er was ook geen religieuze vervolging in de Republiek. Inwoners van de Republiek met een afwijkende religie hoefden dus niet te vluchten. In Engeland daarentegen werden veel mensen vervolgd voor hun religie; zij vluchtten uit Engeland naar Nieuw-Engeland om hier een nieuw leven op te bouwen met hun eigen religie.

Monogram van de West-Indische Compagnie(Algemeen Rijksarchief Den Haag)
In 1621 hadden de Staten-Generaal de geldigheidsduur van het octrooi van de West-Indische Compagnie bepaald op 24 jaar. Bij een financieel gezonde Compagnie zou een verlenging van dit octrooi een formaliteit zijn geweest, maar in het geval van de West-Indische Compagnie was tijdens de looptijd van het eerste octrooi reeds twijfel gerezen over haar bestaansrecht. Dit omdat de doelstelling van de West-Indische Compagnie, het ondermijnen van de macht van de Spanjaarden en Portugezen in het Atlantisch gebied was uitgelopen op een kostbare mislukking. Pas in 1630 was de West-Indische Compagnie erin geslaagd een deel van Brazilië te veroveren. De strijd had intussen zoveel van haar krachten gevergd, dat de Compagnie daarna onder een permanente dreiging van faillissement moest opereren. 14

De bewindhebbers begrepen dat een verlenging van het handelsmonopolie in het Atlantisch gebied op veel weerstand zou stuiten in bepaalde koopmanskringen. 15 In juli 1643 werd er door de Heren Negentien al een verzoek ingediend bij de Staten-Generaal om het octrooi te verlengen. De Staten-Generaal namen echter geen beslissing maar stuurden het verzoek door naar de Staten van Holland. Zonder steun van Holland kon geen enkel octrooi worden aangenomen door de Staten-Generaal. De Staten van Holland stelden voor te onderzoeken of, en zo ja onder welke condities, de West-Indische Compagnie met de VOC zou kunnen fuseren. 16 De VOC stond ook onder druk omdat het aflopende octrooi van de VOC tijdens de onderhandelingen, over de fusie tussen de West-Indische Compagnie en de VOC, slechts met zes maanden werd verlengd. De bewindhebbers van de West-Indische Compagnie stonden niet afwijzend tegenover het voorstel. De Compagnie kon zo van de ondergang gered worden en ook de financiële belangen, van onder andere participanten, konden worden veiliggesteld. De bewindhebbers van de VOC swezen echter het voorstel af. Een fusie van beide compagnieën betekende uitbreiding van het aantal participanten die zowel de winst, afkomstig van de VOC, en het verlies, afkomstig van de West-Indische Compagnie, met elkaar moesten delen. Het latere verzoek om financiële hulp van de West-Indische Compagnie aan de VOC was reëler.

Ten slotte bereikten beide partijen in januari 1647 een principe-akkoord, dat in de loop van dat jaar verder werd uitgewerkt. De VOC zou de West-Indische Compagnie uiteindelijk een bedrag van anderhalf miljoen gulden betalen om voor een fusie gevrijwaard te blijven. De Staten-Generaal waren tevreden over het bereikte resultaat en verlengden in juli 1647 de octrooien van de VOC en de West-Indische Compagnie voor een periode van 25 jaar. 17

De ondergang van de West-Indische Compagnie in Nieuw-Nederland

Tussen 1655-1664 beleefde Nieuw-Nederland een tot dan toe ongekende periode van voorspoed. De bevolking vermeerderde snel en telde in 1664 ongeveer negenduizend zielen. Bovendien werd er vanuit Amsterdam een winstgevende handel op de kolonie gedreven sinds de Heren Negentien in 1640 de handelsbelemmeringen voor Nieuw-Nederland hadden opgeheven. 18 Het einde van de kolonie kwam dan ook vrij plotseling. In augustus 1664, nog voor het uitbreken van de Tweede Engelse Oorlog, verscheen een Engels vlooteskader onder bevel van de Hertog van York voor Nieuw-Amsterdam. Peter Stuyvesant, directeur-generaal van de West-Indische Compagnie in Nieuw-Nederland, besefte dat de overmacht van de Engelsen te groot was, en gaf de stad na enig aarzelen, zonder slag of stoot over aan de Engelsen. Peter Stuyvesant was teleurgesteld in de bevolking van Nieuw-Nederland omdat deze hem niet wilde helpen om de kolonie tot het uiterste tegen de Engelsen te verdedigen. De andere Nederlandse vestigingen gaven zich binnen een week ook over aan de Engelsen. Bij de Vrede van Breda in 1667 werd besloten dat Engeland het gebied van Nieuw-Nederland, inmiddels tot New York omgedoopt, mocht behouden terwijl Nederland aanspraken mocht maken op Suriname.

Voor de West-Indische Compagnie betekende de Vrede van Breda het verlies van Nieuw-Nederland, maar niet van de inkomsten daaruit. Nog jarenlang zouden Amsterdamse kooplieden de handel op New York voortzetten en daarvoor recognitie aan de Compagnie moeten betalen. 19

Slotwoord

Wat is het belang geweest van de West-Indische Compagnie in Nieuw-Nederland? De West-Indische Compagnie heeft geprobeerd haar macht in Nieuw-Nederland te consolideren maar door het mislukken van het belangrijkste element, de kolonisatie, is dit mislukt. Dit in tegenstelling tot de kolonisatiepolitiek van Engeland: duizenden Engelse families vertrokken naar Nieuw-Engeland om een nieuw leven te beginnen. 20 Ook de slechte financiële positie en de slechte bestuurders van de West-Indische Compagnie zorgde voor het mislukken van de kolonie Nieuw-Nederland. Al met al kan gezegd worden dat de West-Indische Compagnie niet succesvol is geweest in haar bestaan en dus ook niet in Nieuw-Nederland. De West-Indische Compagnie was een geducht wapen in de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen in het Atlantisch gebied. Dit beeld is ook in hoge mate bepaald door de oorlogshandelingen die de West-Indische Compagnie heeft ontwikkeld na 1623. De West-Indische Compagnie is er in geslaagd de Spanjaarden en de Portugezen grote schade toe te richten zoals met de verovering van Brazilië in 1630. Deze inspanning zorgde er echter voor dat de West-Indische Compagnie in financiële problemen gekomen is.

De particulieren hadden in Nieuw-Nederland meer succes met het koloniseren en het handeldrijven dan de West-Indische Compagnie zelf. Echter in de jaren `30 van de zeventiende eeuw waren er al enkele Hollandse kooplieden van mening dat de West-Indische Compagnie als handelsonderneming een fiasco was. Het belangrijkste handelsproduct was bont van onder andere de bever. Deze bonthandel was in handen van de West-Indische Compagnie maar in 1639 werd de bonthandel vrijgegeven voor iedereen om de kolonisatie in Nieuw-Nederland te bevorderen. Hierdoor was het monopolie van de West-Indische Compagnie ten einde.

De historicus Geyl heeft zich ooit in scherpe bewoordingen over het WIC-avontuur uitgesproken. Voor het Braziliaanse avontuur heeft hij geen goed woord over. Des te meer betreurt hij het verlies van Nieuw-Nederland, waar zijn inziens voor de uitbreiding van de Nederlandse stam grote kansen onbenut zijn gebleven. Ten aanzien van de kolonisatie is de West-Indische Compagnie ‘jammerlijk’ tekort geschoten en hebben de bewindhebbers ’tergende slapheid en onverstand’ betoond. Geyl stelt hun Engeland ten voorbeeld. 21

Eindnoten:

1. H. den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994) 13.

2. Ibidem, 22.

3. Ibidem, 22.

4. Ibidem, 23.

5. Ibidem, 21.

6. Ibidem, 23.

7. O.A. Rink, Holland on the Hudson (New York 1986) 55.

8. H. den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994) 30-31.

9. Ibidem, 31.

10. Ibidem, 81.

11. W.R. Menkman, De West-Indische Compagnie (Amsterdam 1947) 121.

12. H. den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994) 83.

13. Ibidem, 84

14. Ibidem, 97.

15. H. den Heijer, ’Plannen voor samenvoeging van VOC en WIC’, Tijdschrift voor de Zeegeschiedenis (1994) 13, blz. 115-130, 115.

16. Ibidem, 116.

17. Ibidem, 120.

18. H. den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994) 88

19. Ibidem, 88.

20. Ibidem, 116.

21. Geciteerd bij J.G. van Dillen, ’De West-Indische Compagnie, het Calvinisme en de Politiek’,, Tijdschrift voor Geschiedenis (1961) 74, blz. 145-171, 169.

Terug naar het begin van deze pagina