Behouden of opgeven ?

 

     HET LOT VAN DE NEDERLANDSE KOLONIE NIEUW-NEDERLAND NA DE HEROVERING OP DE ENGELSEN IN 1673.

 

Martina Westdorp

 

1. Inleiding

 

In 1664 hadden De Nederlanden hun kolonie in de West, Nieuw-Nederland, af moeten staan aan de Engelsen, met wie ze in oorlog waren. De kolonie kwam aan het einde van de Tweede Engelse oorlog (1665-1667) onder Engels bestuur. Bij de Vrede van Breda werd Nieuw-Amsterdam geruild tegen Suriname. De Staten-Generaal hielden hierbij geen rekening met het grote aantal kolonisten dat in Nieuw-Nederland woonde. Na de ruil hield men zich niet meer met het verloren grondgebied bezig. Dit veranderde aan het einde van 1673.

 

In oktober 1672 hadden de Staten van Zeeland besloten een vloot uit te sturen om afbreuk te doen aan Engeland, dat aan het begin van het jaar opnieuw de oorlog had verklaard aan de Nederlanden. Zeeland, een machtige zeevarende provincie, beschikte over een goede vloot en over ervaren bevelhebbers. De Zeeuwse Staten stuurden de vloot erop uit om Engelse schepen, die vol lading terug kwamen uit Oost Indië, te plunderen. De vloot kwam onder de leiding van Cornelis Evertsen de Jonge. Na zo'n acht maanden op zee kwam de Zeeuwse vloot, die inmiddels was samengegaan met een Amsterdams eskader, aan voor de kust van Virginia. De schepen waren hier per toeval terecht gekomen en besloten door te varen naar de Hudson Rivier. Zo kwamen ze terecht bij New York waar ze van de plaatselijke bevolking hoorden dat de stad nauwelijks verdedigd werd. Zonder dat het eskader het van plan was en zonder dat de Staten van Zeeland, de Admiraliteit van Amsterdam of de Staten-Generaal hiervan wisten, voerde het een aanval uit op de stad. Deze werd zonder moeite ingenomen. Trots op deze overwinning werd er door Evertsen bericht van de verovering gedaan aan het moederland. In de Nederlanden wist men in het begin niet goed wat ze met deze nieuwe situatie aan moesten. Er volgden allerlei besprekingen over het wel of niet houden van de kolonie. Ook waren er onderhandelingen tussen de Staten van Zeeland en de Admiraliteit van Amsterdam. De gesprekken draaiden op weinig uit. Aan het begin van 1674 kregen de besprekingen een andere wending. De Staten-Generaal openden onderhandelingen met Engeland, eerst in het geheim, later met medeweten van de provincies. In deze besprekingen had Zeeland, onder wiens bevel de kolonie heroverd was, zeer weinig invloed. In maart werd uiteindelijk besloten de kolonie niet te behouden maar terug te geven aan Engeland. Wat bracht de Nederlanden ertoe de kolonie op te geven? 

 

 

2. De expeditie

 

In het begin van de zeventiende eeuw vertrokken de eerste handelaren naar Amerika en stichtten daar de kolonie Nieuw-Nederland. Na verloop van tijd kwamen er ook andere bevolkingsgroepen naar de kolonie en veranderde het gebied in een vestigingskolonie. Voor de nieuwe bewoners was het leven er relatief zwaar maar de Nederlanders slaagden er op den duur in een redelijk stabiele samenleving op te bouwen. De handel bracht minder op dan in eerst instantie was gedacht, maar het ging economisch niet slecht. In 1664 kwam er plotseling een einde aan die stabiele situatie voor de kolonisten. De Engelsen voerden aanvallen uit op Nieuw-Nederland en kregen de kolonie na de Vrede van Breda in 1667. Hierbij werd Nieuw-Amsterdam geruild voor Suriname.[1] De bevolking van de kolonie kwam nu onder Engels bestuur. Deze situatie duurde tot 1673.

 

De plannen     

Cornelis Evertsen de Jonge

In het begin van 1672 waren er spanningen tussen Engeland en de Nederlanden om de handel op zee. Op 23 maart werd een Nederlandse handelsvloot, zonder enige aanleiding en waarschuwing, in Het Kanaal belaagd door een Engelse vloot. De opdracht hiertoe was gegeven door Karel II, koning van Engeland. De aanval liep voor de Engelsen uit op een mislukking, maar de Derde Engelse oorlog was begonnen. Dit was de derde oorlog tussen Engeland en de Nederlanden die gevoerd werd  binnen twintig jaar.[2] In het begin van de oorlog wisten de Nederlanden zich aardig te handhaven. De Staten van Zeeland, die over een redelijke vloot beschikten, wilden profijt trekken van de chaos op zee en maakten plannen Engelse schepen te plunderen. Op 12 oktober besloten de Staten een vloot uit te sturen om deze plannen uit te voeren. Deze vloot had ruim vijfhonderd man aan boord . De bemanning kreeg een aantal opdrachten mee. Ten eerste moesten de Engelse Oost-Indische retourschepen aangevallen worden om zoveel mogelijk lading buit te kunnen maken. Dit moest overal waar ze op zee Engelse schepen tegenkwamen, maar vooral in de buurt van Sint Helena. Hier voeren de Engelse schepen vaak langs. Naast het plunderen van schepen moest er een poging gedaan worden om Sint Helena, dat op dat moment in Engelse handen was, te veroveren. Als laatste moest de bemanning goederen afgeven aan de Kaap de Goede Hoop en in Suriname. Het algemene doel van deze expeditie was het op zee afbreuk doen aan de vijand en het zoveel mogelijk voordeel behalen ten bate van de provincie Zeeland.[3]                                        

 

De expeditie

Na het besluit van 12 oktober begonnen de bemanningsleden met het klaarmaken van de schepen zodat ze zo snel mogelijk konden vertrekken. Dit vertrek moest echter steeds uitgesteld worden omdat het weer tegenwerkte. Uiteindelijk vertrok de vloot vanuit Vlissingen op 25 december 1672. De bevelhebber van het eskader was Cornelis Evertsen de Jonge. Evertsen was een telg uit een oud zeeheldengeslacht en gold ook zelf als een bekwaam vlootvoogd.[4]

 

De reis verliep volgens plan totdat de vloot nabij Groot Canaria in een zware storm terecht kwam, waarbij een aantal schepen vermist raakte. Het eskader was nu gedwongen aan te leggen op Groot Canaria om de schade te herstellen en liep hierdoor grote vertraging op.

Eenmaal weer op zee zette de Zeeuwse vloot koers richting de Kaap-Verdische eilanden. Tijdens deze tocht dook een schip op dat tijdens de storm bij Groot Canaria vermist was geraakt en voegde zich weer bij het eskader.  In januari 1673 kwam de vloot aan bij Sint Helena. Dit eiland was voor schepen die terugkwamen uit Oost Indië een zeer strategisch rustpunt. De mogendheid die het in handen had kon haar schepen daar laten provianderen  voor de rest van de terugreis. De poging het eiland te veroveren slaagde en Sint Helena viel in Nederlandse handen. Na de inname reisde de vloot naar Kaap Oranje op de Wilde Kust. Een poging om Cayenne, een Franse kolonie, te overvallen mislukte vanwege een misrekening met betrekking tot de zeestroom. De reis werd voortgezet naar Suriname. Hier werden de goederen afgeleverd die ze vanuit Zeeland hadden meegekregen en werd er bijgetankt. De orders die Evertsen had meegekregen vanuit Vlissingen waren nu uitgevoerd, maar hij besloot niet direct terug te keren naar de Nederlanden. Hij besloot om de zee weer op te gaan om te proberen meer buit binnen te halen.

 

In de buurt van Martinique kwam het Zeeuwse eskader een vloot tegen. Deze vloot leek onder Franse vlag te varen, maar toen de Zeeuwen naderden, hees de vloot de Nederlandse vlag. Het bleek een eskader uit Amsterdam te zijn.  Evertsen en de bevelhebber van de Amsterdamse vloot, Benckes, besloten samen verder te varen.[5] Eind juli 1673 kwam de gecombineerde vloot aan voor de kust van Virginia. Hier ontstond het plan om de Zuid-Rivier op te varen om water te halen, maar ook om poolshoogte te nemen in New York, dat in 1664 door de Nederlanders aan de Engelsen werd afgestaan. Evertsen wilde weten hoe het daar stond met de verdediging. Hij was op eigen gezag op het idee gekomen, dat als het in het fort van New York, dat door de Engelsen Fort James was genoemd, slecht gesteld was met de verdediging, de vloot ook wel een verrassingsaanval op de stad kon uitvoeren.[6] Met de inname van Fort James zou New York op de Engelsen kunnen worden heroverd.

 

 

3. Herovering van New York

 

De voorbereiding

Op 8 augustus 1673 voer de vloot de Hudsonrivier op in de richting van Staten Eyland. Door de samenvoeging met het Amsterdamse eskader bestond de vloot nu uit 21 schepen. Bij Staten Eyland gingen de schepen ten anker. Nog diezelfde avond kwam er een aantal Hollandse boeren aan boord. Zij klaagden over de harde regering van de Engelsen en lieten weten dat zij graag weer onder het gezag van de Staten-Generaal wilden komen. De boeren vertelden ook dat de gouverneur niet aanwezig was op Fort James. Bovendien was het fort van zeer slecht garnizoen voorzien en stelde ook het geschut weinig voor.[7] Evertsen, die een krijgsraad bijeen had laten komen op zijn schip ' de Swanenburch', hoorde deze verhalen met vreugde  aan: wat hij hoorde klonk hem als muziek in de oren. De krijgsraad had dan ook niet lang nodig om tot het besluit te komen een verrassingsaanval uit te voeren op Fort James en New York. Nog voor het einde van de dag werd er een bekendmaking aan de inwoners van New York verzonden. De volgende dag, 9 augustus, kwamen drie Engelsen aan boord. Het waren afgevaardigden van de Engelse bevelhebbers in de kolonie. Evertsen liet de mannen weten dat hij van plan was diezelfde dag nog een aanval uit te voeren op het fort. De Engelse afgevaardigden wilden voorkomen dat Evertsen zijn plannen doorzette en  probeerden te onderhandelen, maar de besprekingen liepen op niets uit. Evertsen was niet van zijn standpunt af te brengen.[8]

 

De aanval

Evertsen en zijn mannen maakten zich direct hierna klaar voor de aanval. De schepen voeren dicht achter elkaar op het fort aan. In de tussentijd bleven de Engelsen proberen Evertsen op andere gedachten te brengen. De Nederlandse vloot was echter niet meer te stoppen. De bemanning vermoedde dat de Engelsen alleen maar uitstel van de aanval wilden zodat ze meer tijd hadden om mensen op het Lange Eylant te verzamelen om mee te helpen in de verdediging. Evertsen gaf orders aan de Engelsen door te geven dat ze het fort binnen een half uur op moesten geven. Werd dit niet gedaan dan zou de vloot het fort te water en te land aantasten. Hij stond erop het fort nog die avond in handen te hebben. Na een half uur was er geen reactie. Ruim zeshonderd man nam plaats in de sloepen en ging onder kanonvuur van de schepen richting land. De aanval was begonnen.

 

De Engelsen gaven wel enige tegenstand vanuit het fort, maar nog voor de Nederlandse sloepen het land hadden bereikt werd de koningsvlag al gestreken en de witte vlag gehesen. Hierop staakten de Nederlanders het vuren. Evertsen stuurde een boodschap naar het fort dat hij de officier wilde spreken. Hieraan werd geen gehoor gegeven. Ook op de boodschap dat de Commandeur en zijn mannen direct het fort moesten verlaten kwam geen reactie. De troepen vielen het fort aan. Er kwam nog wel een onderhandelaar naar buiten maar daar was het nu te laat voor. De Nederlanders trokken het fort binnen en zetten de Engelsen gevangen. Fort James was gevallen.

 

 

4. De gevolgen voor de Nederlanden

 

Nieuw-Nederland na de herovering

Nieuw-Nederland was dus heroverd op de Engelsen. In de gebieden die het eskader eerder veroverd had, was geroofd en geplunderd om zoveel mogelijk buit binnen te halen. Bij de herovering van Nieuw-Nederland gebeurde dat niet. Uit het journaal, dat op een van de schepen van de vloot is bijgehouden, blijkt, al een dag na de val van Fort James, dat de bevelhebbers alles wilden aanwenden om het land in goede politie en defensie te brengen. Dit moest gebeuren voordat de schepen weer richting het moederland vertrokken. Er werd een krijgsraad ingesteld die de plannen moest realiseren. Allereerst werd de naam van Fort James vervangen door de naam Fort Willem Hendrick.[9] Alle Engelse besturen in steden en dorpen werden ontslagen en vervangen door magistraten van Nederlandse afkomst. Evertsen en Benckes waren van mening dat de kans om de kolonie te behouden het grootst was bij een stabiel bestuur. De Engelse namen van dorpen en steden werden vervangen door Nederlandse. Zo werd New York veranderd in Nieuw Oranje. Omdat Nieuw-Nederland was omringd door kolonies van sterke mogenheden zoals Engeland, moest er een goede leiding komen om de continuïteit van de kolonie te kunnen garanderen. Anthony Colve, die op het schip van Evertsen kapitein was, werd benoemd tot militair gouverneur van het fort en de provincie.[10] Bij hem bleven 120 man, afkomstig uit de eskaders, om hem in zijn taak te steunen.

 

De vloot, die nog geen orders vanuit Zeeland had gekregen, besloot niet langer in Nieuw-Nederland te blijven. Ze maakten plannen om naar Cadiz aan de Spaanse zuidkust te varen. Hier wilden ze de vis die ze tijdens hun plundertochten op zee op de Engelsen buit hadden gemaakt duur verkopen. De schepen van Evertsen en Benckes vertrokken op 10 september 1673. Gouverneur Colve en zijn mannen stonden er nu alleen voor.

 

Onduidelijkheid

Er was in korte tijd heel wat gebeurd aan de andere kant van de oceaan waar het moederland nog niets van wist. De informatie werd wel zo snel mogelijk doorgegeven  maar, zoals in het geval van Evertsen, bleek dit niet eenvoudig te zijn. Als er een brief werd geschreven aan het moederland dan werd deze meegegeven aan een schip dat die kant op ging. De reis van de brief kon soms lang duren omdat het schip eerst nog andere landen aandeed. Ook kwam het voor dat, als de reisplannen veranderden, brieven van het ene schip werden doorgegeven aan een ander schip. Het kon natuurlijk ook voorkomen dat een schip met brieven aan boord verging. Dan was de schrijver een hele tijd in de veronderstelling dat zijn brief was aangekomen terwijl de ontvanger nooit iets gekregen had. De brieven die Evertsen schreef na de herovering hadden weinig geluk. Zo schreef hij brieven op 10 en 12 augustus. Deze werden, bij dreigende gevangenneming door de Engelsen op de St. Joseph door de stuurman overboord gegooid. Hij schreef ook nog brieven die op 2 september samen met kopiën van 10 en 12 augustus werden meegegeven aan de boot 'Expectation'. Deze brieven hadden evenmin geluk. De 'Expectation' strandde en werd door de Engelsen in bezit genomen[11].  In de Nederlanden raakten de leden van de Staten van Zeeland een beetje geïrriteerd omdat ze al vanaf 31 januari 1673, toen de vloot voor Groot Canaria lag, niets meer van Evertsen hadden gehoord. De Staten wisten niets van de reis van Evertsen na Groot Canaria. Wel hadden ze geruchten gehoord over de herovering. Op 24 oktober had de stuurman van de St. Joseph, die de brieven overboord had gegooid, in Amsterdam bericht gedaan van de prestatie van de vloot van Evertsen en Benckes. De stuurman vertelde dat de vloot plannen had naar Cadiz af te reizen. De Zeeuwse Staten besloten Evertsen een brief te sturen waarin ze hem de opdracht gaven te blijven waar hij was en te wachten op volgende instructies. Evertsen was toen hij de brief ontving, op 6 december, al in Cadiz aangekomen. De verklaring van de stuurman van 24 oktober, en met name de herovering van Nieuw-Nederland, had voor grote opschudding gezorgd binnen de regeringen van Zeeland, Amsterdam en de Staten-Generaal. Vooral de Staten van Zeeland, die de vloot oorspronkelijk hadden uitgestuurd, wisten niet goed wat ze met deze situatie aanmoesten. Toen zij een jaar eerder Evertsen de opdracht gaven Sint Helena te veroveren en de vijand zoveel mogelijk te benadelen, hadden ze geen moment gedacht aan Nieuw-Nederland. Het hoofddoel was toch geweest de strijd op zee te voeren. Pas 15 januari 1674 ontvingen de Staten van Zeeland het eerste directe bericht van Evertsen in een brief die hij een maand eerder had verstuurd vanuit Cadiz.

 

De situatie in De Nederlanden

1672 kan voor de Nederlanden terecht een rampjaar genoemd worden. Om te beginnen begon dat jaar de Derde Engelse oorlog. In het voorjaar van het jaar hadden de Nederlanden te kampen gehad met grote droogte waardoor de oogst dreigde te mislukken. Hiernaast had ons land te kampen met hevige onrusten onder de bevolking, met als hoogtepunt (of dieptepunt) de afslachting van de gebroeders de Witt op 20 augustus. Alsof dit nog niet genoeg was, waren de Fransen, door de hebzucht van Lodewijk XIV, via de oostgrens ons land binnengevallen op 12 juni 1672[12]. Het Franse leger was het grootste en best georganiseerde leger in Europa. Daarbij had het ook nog hulp van de bisschoppen van Münster en Keulen die ook ons land binnenvielen. Binnen een maand hadden Gelderland, Overijssel en Utrecht zich over moeten geven, dus het zag er niet gunstig uit voor de Nederlanden.

 Om te zorgen dat ze niet bij Frankrijk werden ingelijfd, hadden de Nederlanden dringend hulp nodig van andere mogendheden. Er werden in het geheim onderhandelingen opgezet met een oude vijand van De Nederlanden, Spanje. Spanje, dat aan Frankrijk grenst, voelde zich ook zeer bedreigd door de macht van zijn buurland maar stemde eerst nog niet toe in een samenwerking in de strijd tegen Lodewijk XIV. Spanje wilde wel helpen maar vond dat, in ruil voor zijn hulp, de Nederlanden vrede moesten sluiten met Engeland.[13] In het vredesvoorstel zou opgenomen moeten worden dat de regering afstand deed van alle in de oorlog veroverde gebieden. Dit betekende dat de Nederlanden Nieuw-Nederland en Sint Helena zouden moeten afstaan.

 

Vanaf dit moment ontstond er voor de Staten-Generaal een moeilijke situatie. Aan de ene kant werd er nog onderhandeld over het behoud van de kolonie en aan de andere kant werd er al nagedacht over de vrede met Engeland, die het opgeven van de kolonie tot gevolg zou hebben. De onderhandelaars voor het behoud van de kolonie wisten niet dat de toekomst van Nieuw-Nederland al van hoger hand bepaald was, omdat de besprekingen met Spanje in het geheim plaatsvonden. In Nieuw-Nederland, waar men helemaal niet wist wat er stond te wachten, was er goede hoop dat er hulp vanuit het moederland zou komen om de toekomst van dit stukje Amerika in Nederlandse handen veilig te stellen.

 

 

Onderhandelingen

Er werd druk onderhandeld, zowel binnen de Nederlanden zelf als met Spanje en Engeland. In de onderhandelingen hadden magistraten van de kolonie geheel geen invloed. Zij moesten wachten wat er in het moederland beslist zou worden. Afgevaardigden van de Staten van Zeeland en van de Admiraliteit van Amsterdam reisden naar Den Haag voor onderhandelingen. Er werden geen definitieve beslissingen genomen over het opgeven of het behouden van Nieuw-Nederland.[14] Zeeland was een voorstander van het opgeven van Nieuw-Nederland. De lasten waren namelijk hoog en de winsten die de provincie gedacht had te halen lieten lang op zich wachten. Amsterdam zag nog wel heil in de onderneming en kwam met Zeeland overeen dat, als er hulp naar Nieuw-Nederland zou gaan, de Admiraliteit  het Zeeuwse aandeel in de kolonie over zou nemen.[15] Deze overeenkomst bracht de Staten-Generaal in een moeilijke positie. Zij hadden namelijk net een brief naar Karel II gestuurd waarin ze de kolonie aan hem aanboden om hun goede wil in de vredesonderhandelingen te tonen. Om de schijn van onoprechtheid te voorkomen moesten de Staten-Generaal ingrijpen. Ze gaven de leiding in Nieuw-Nederland de opdracht voortaan de orders van het College van de Admiraliteit van Amsterdam op te volgen. Hiermee werden de Staten van Zeeland inzake de kolonie buiten spel gezet.[16] In verdere besprekingen had Amsterdam grote invloed en werd Zeeland genegeerd en soms gewoon helemaal niet op de hoogte gesteld van beslissingen.

 

Spanje oefende ondertussen druk uit op de Nederlandse regering omdat het geen zin had in een oorlog aan twee fronten, met Frankrijk op het land en met Engeland op zee. De Spanjaarden beschikten namelijk niet over een vloot die sterk genoeg was de Engelse marine aan te kunnen, dus maakten ze op zee weinig kans. De grootste dreiging van Frankrijk was geweken en de Nederlandse vloot wist het merendeel van de Engelse vloot te winnen, maar Frankrijk kon altijd terugkomen. De Nederlanden hadden nog steeds hulp nodig om hun behoud veilig te stellen. Toen het ernaar uit zag dat er een vrede met Engeland tot stand zou komen, maar er nog niets definitief was, was Spanje bereid een verbond aan te gaan. Op 13 december 1673 werd de zogenaamde Quadruple Alliantie getekend. Naast Spanje zegden ook Habsburg en Lotharingen hun hulp toe aan de Nederlanden[17].

 

In de tussentijd waren de voorbereidingen voor een vredesvoorstel voor Engeland nog steeds in volle gang. Begin 1674 werd, nog steeds in het geheim, het eerste voorstel naar Karel II gestuurd. In dit voorstel werd gevraagd om een 'revival' van de Vrede van Breda uit 1667. Het was tegenover Spanje van groot belang dat de onderhandelingen lukten. De beurt was nu aan de Engelse koning om het voorstel aan te nemen of af te keuren. De Staten-Generaal vonden het tijd worden om de afzonderlijke Staten in te lichten over de voorgenomen vrede. Bij de Staten van Zeeland kwam dit bericht op dezelfde dag aan als de brief van Evertsen van 13 december 1673 vanuit Cadiz waarin hij om hulp voor Nieuw-Nederland vroeg. De Zeeuwse Staten konden weinig voor hem doen.

 

 

 

Uiteindelijke beslissing

Karel II bestudeerde het vredesvoorstel zorgvuldig en kwam tot het inzicht dat hij niets anders kon doen dan akkoord gaan met de door Nederland gestelde bepalingen.[18] In Engeland kwam steeds meer kritiek op de oorlogspolitiek van de koning, met name doordat de Engelse vloot niet genoeg succes boekte tegen de Nederlandse vloot. Vooral in het Parlement kwam er steeds meer tegenstand de plannen van de koning goed te keuren. De parlementsleden vonden dat de oorlog veel te veel kostte in vergelijking met wat de strijd opbracht. De Engelse vloot had slag na slag te verwerken gekregen en had erg te lijden gehad. Het parlement, dat voor de financiering van de oorlog moest zorgen, zag weinig meer in het vervolgen van de oorlog en weigerde er nog meer geld aan uit te geven. Karel II wist dit en was zich er van bewust, dat wanneer hij de oorlog voort wilde zetten, hij het Parlement bij elkaar moest roepen voor geld en dat het zou weigeren.[19] Doorgaan met oorlog voeren was dus eigenlijk geen optie voor de Engelse koning. Hier kwam bij dat het vredesvoorstel voor Engeland zeer aantrekkelijk was. Karel II kon eigenlijk niet anders dan het voorstel accepteren.

 

Op 4 maart 1674 kregen de Staten-Generaal een brief van de burgemeester van Nieuw-Nederland. Hierin vroeg hij om hulp voor zijn kolonie en bevolking, om de bezittingen te kunnen beschermen tegen de omringende kolonies van de andere grote mogendheden. Aan deze brief werd geen aandacht geschonken, men had het te druk met het opstellen van het vredesverdrag. De keuze tussen behouden of opgeven was gemaakt. De volgende dag maakte de Vrede van Westminster een definitief einde aan het bestaan van de Nederlandse kolonie  Nieuw-Nederland.

 

 

5. Conclusie

 

Evertsen kwam voor de kust van het Lange Eyland op het idee om een aanval uit te oefenen op Fort James toen bleek dat er geen verdedigingstroepen in de stad waren. Het fort werd ingenomen en New York kwam onder de nieuwe naam Nieuw Oranje weer in Nederlandse handen. Het feit dat een klein Nederlands eskader, zonder vooropgezette strategie, grondgebied op een grote mogendheid als Engeland wist te heroveren, was op zichzelf een grote prestatie. Het was voor De Nederlanden in de Derde Engelse oorlog de enige verovering van betekenis. Toen het bericht echter de Staten-Generaal bereikte werd de prestatie niet op waarde geschat en was er niet veel begrip voor de actie van de Zeeuws-Amsterdamse vloot. De Staten van Zeeland en de Admiraliteit van Amsterdam waren in eerste instantie positief maar al snel bleek dat de kolonie meer geld kostte dan dat ze opbracht, waardoor Zeeland van de kolonie af wilde. De Staten-Generaal raakten door de verovering in een lastige situatie. Al was de storm in de Nederlanden weer een beetje gaan liggen, toch hadden ze hulp van buitenaf nodig om de Fransen terug te kunnen dringen.Toen bleek dat Spanje wel bereid was om ons land te helpen was dat een hele opluchting. In een alliantie met Habsburg, Lotharingen en Spanje moest het de Nederlanden wel lukken de Fransen weer uit het land te drijven. Spanje stelde echter wel een voorwaarde aan de medewerking. De Nederlanden moesten vrede sluiten met Engeland. Spanje wilde namelijk niet in oorlog komen met Engeland. Pas bij een einde van de Derde Engelse oorlog was de Spaanse regering bereid bij te springen. Het sluiten van de vrede zou wel met zich meebrengen dat alle in de oorlog veroverde gebieden aan Engeland terug moesten worden gegeven. Dit zou dus het einde van Nieuw-Nederland betekenen. De Staten-Generaal hadden weinig keus. Het was daarom ook niet moeilijk om tot een beslissing te komen. Hulp tegen de overmacht van Frankrijk was nu hoofdzaak. De inzet was namelijk het behoud van De Nederlanden. Voorkomen moest worden dat ze bij Frankrijk ingelijfd zouden worden. Het opgeven van Nieuw-Nederland zou in de kolonie zelf als verraad worden gezien, maar daar konden de Staten-Generaal in deze situatie geen rekening mee houden. De belangen van een handjevol Nederlandse kolonisten in Nieuw-Nederland was lang niet zo belangrijk als de belangen van het moederland. De regering koos voor zelfbehoud en zocht vrede met Engeland.

 

 

Literatuur

 

Bruijn, J.R. de, Varend Verleden, de Nederlandse oorlogsvloot in de zeventiende en achttiende eeuw(zp 1998).

 

Bruin, G. de, Geheimhouding en verraad, de geheimhouding van staatszaken ten tijde van de Republiek ('s-Gravenhage 1991).

 

Dreiskämper, P., ‘Redeloos, radeloos, reddeloos.’De geschiedenis van het rampjaar 1672(Hilversum 1998).

 

Jacobs, J., Een zegenrijk gewest, Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw(Amsterdam 1999).

 

Jansma, K. en  M. Schroor, 10.000 jaar geschiedenis der Nederlanden(Lisse 1991).

 

Jones, J.R., The Anglo-Dutch Wars of the Seventeenth Century(New York 1996).

 

Shomette en Haslach, Raid on America, The Dutch Naval Campaign of 1672-1674(Columbia 1988).

 

Tex, Mr. Dr. J. den, Onder vreemde heren, de Republiek  der Nederlanden 1672-1674 (Zutphen 1982).

 

Waard, C. de, De Zeeuwsche expeditie naar de West onder Cornelis Evertsen de Jonge 1672-1674('s-Gravenhage 1928).

 

 

 

 

 

 

 



[1] P. Dreiskämper, 'Redeloos, radeloos, reddeloos.', 32.

[2] D. Shomette en R. Haslach, Raid on America ,1.

[3] C. De Waard, De Zeeuwsche expeditie naar de West onder Cornelis Evertsen de Jonge 1672-1674,xxvi.

[4]  Ibidem,xvii-xxi.

[5]  Ibidem, xxxiii.

[6]  Ibidem, xxxviii.

[7]  Ibidem, xxxviii.

[8]  Ibidem, xxxix.

[9]  D. Shomette en R. Haslach, Raid on America, 170.

[10]  Ibidem, 179.

[11]  Raid,195

[12] P. Dreiskämper,'Redeloos', 40.

[13] Ibidem, 283.

[14] C. De Waard, De Zeeuwsche expeditie, xlvii.

[15] Ibidem, l

[16] Ibidem, l.

[17] K. Jansma en M. Schoor, 10000 jaar geschiedenis der Nederlanden,223

[18]  Shomette en Haslach, Raid, 292.

[19]  Ibidem 292.